Over honderd jaar ben ik hartstikke dood. Dat mag eigenlijk geen verrassing heten, maar als ik het zo zwart op wit zie staan dan moet ik toch even slikken, al is het maar omdat ik dat dan niet meer kan. De dood lijkt onontkoombaar. David Hume zou misschien zeggen: “Kop op, jongen, dat ieder mens tot nu toe sterft is nog geen reden dat jou zulks gebeurt”, maar ook hij is inmiddels reeds lang ter ziele. Het idee dat U tegen die tijd net zo dood bent als ik geeft nog enige troost, want wat zou ik moeten zonder U?

De dood even daargelaten wil ik het vandaag eens hebben over het stukje leven dat mij rest, en meer specifiek de invulling daarvan. Omdat mijn tijd eindig is ben ik er tamelijk zorgvuldig mee. Het doel is toch om een welbesteed leven achter me te laten. Naar mijn idee betekent dat dat ik zoveel mogelijk dingen doe waar ik waarde aan hecht. U mag mij voor gek verklaren, maar één van die dingen bestaat uit het lezen van boekjes (het andere ding is sex, maar dat zal U wel helemaal niet interesseren).

Op zich is het lezen van andermans verhalen een merkwaardige bezigheid, het draagt op het oog weinig bij aan je eigen verhaal, aan dat wat je had kunnen doen als je niet gelezen had. Toch denk ik niet dat angst voor het leven mij tot lezer heeft gemaakt. Ik gebruik het eerder als opstapje naar meer. Niet alleen scherpt lezen mijn zinnen, ook voedt het mijn vriendschappen. Een boek zwengelt mijn gedachten aan, en die gedachten deel ik met mijn vrienden, en die vrienden zijn mijn leven.

Het zal geen verbazing wekken dat mijn beste vrienden lezers zijn (en tevens sexverslaafd, maar dat doet nu even niet ter zake). Elk gesprek linkt op z’n minst zijdelings naar boeken, is het niet De Bijbel, dan wel Kuifje in Tibet. Het lijkt logisch dat ik, om dit soort gesprekken fris te houden, gedwongen ben om mijn repertoire voortdurend uit te breiden. Er wacht mij een schier eindeloze stapel ongelezen boeken, maar ik verkneukel me al bij de gedachte dat dat leidt tot evenzoveel ‘memorabele avonden’.

Deze week smaakte ik weer eens het genoegen een dergelijke avond te beleven. Door een goede vriend genood sprak ik met bord op schoot over leven en dood, waarbij hij zichzelf overigens ook niet onbetuigd liet. Er ontspon zich een waar kunstwerk, een gesprek met vele haken en ogen. Op een gegeven moment greep mijn broeder er een klassieker bij, Sándor Márais Gloed, nota bene een boek dat hij mij ooit gegeven had ter bezegeling van onze vriendschap, en dat alleen dáárdoor al tot mythische proporties was verheven.

“Weet je,” zei hij, “ik ga binnenkort Gloed nog eens herlezen.”

En die opmerking zette mij aan het denken. Jazeker, Gloed is een prachtboek, maar iets herlezen staat feitelijk haaks op de door mijzelf bedachte functie van literatuur, te weten gedachten aanzwengelen. Dit boek kennen we immers al! Mijn goede vriend leek wel te willen lezen om het lezen. Gekke jongen.

Maar de gedachte liet me niet los. Ik herinnerde me een krabbel in mijn eigen notitieboekje die ik in april gemaakt had naar aanleiding van Tolstojs De dood van Ivan Iljitsj (‘herlezen!’), en langzaam begon er iets te dagen. Het herlezen van Gloed dat mijn broeder van plan was is veel meer dan lezen om het lezen, het is een ritueel. Juist dit boek is voor hem (en voor mij) zwanger van betekenis. We zijn er beiden mee vergroeid. De ervaring van het lezen overstijgt daardoor de inhoud van het boek.

Dát maakt het leven waard.

Bij nader inzien was het eigenlijk geen wonder dat hij het nodig vond mij te vertellen van zijn plan. Mooier had hij me niet kunnen zeggen wat hij in onze vriendschap ziet. “Jezus man,” zult U misschien zeggen, “is die gast katholiek of zo? Met z’n rituelen?” Het antwoord daarop is ja, maar als katholiek zijn een liefde voor rituelen betekent, dan ben ik het ook. Misschien is het wel besmettelijk, dat geloof. Net als die sexverslaving van mij, want daar zit hij dan weer mee opgescheept.

9 reacties

Wee degeen met levenshonger! Hij slikt zijn lot voor zoete koek, en sterft voor hij doodgaat. Nooit spreekt hij met volle mond, altijd met twee woorden. Hij lacht beleefd, en excuseert zich zelfs bij het van tafel gaan.

De man die breekt met deze code komt aan leven heel niet toe. Hij zit niet aan, maar bevecht Conventie, een monster veel te groot voor hem. Zonder regels is hij niets, leert hij … maar met is hij zichzelf niet.

1 reactie

In de lift van de bibliotheek drukte hij op zes, en voelde zich prompt daarop zwaarder worden. De afdeling wijsbegeerte kwam razendsnel dichterbij, en even later liep hij zich verloren, ergens tussen de 17e en 18e eeuw. Wijsbegeerte, die naam had hij nooit begrepen. Alsof begeren te leren valt.

Doodse stilte hier, alleen de boeken spraken. Ergens tintelde er iets. Hij stelde zich het meisje voor dat ooit hém zou lezen. Begerig naar de jongen achter de woorden. Misschien leest ze wel in bed.

Vanuit zijn binnenzak haalde hij een brief tevoorschijn, voor haar. Na enig zoeken vond hij een boek dat hij bij haar vond passen. Hij keek naar de brief. Tastbaar, net als de hand die ‘m vasthield, zijn hand. Het meisje was fictie, alleen in gedachten kon hij haar aanraken. Hij stopte de brief halverwege het boek. Ze zou hem wel vinden, ooit. Dan zou hij fictie zijn, de brief bleef hoe dan ook echt.

Tien minuten later bracht de lift hem lichtgewicht terug op aarde.

6 reacties