Iets in haar trok hem onweerstaanbaar aan, maar hij kon niet vertellen wat. Zij bezat een oerkracht die hem licht maakte. Hij bewonderde eigenschappen die hem vreemd waren. Haar lach paste bij zijn humor, zijn begrip bij haar denken. Hij probeerde het weg te redeneren. “Liefde maakt krankzinnig”, hield hij zich voor, maar de man zou net zo goed zelf krankzinnig geweest kunnen zijn.

Toen hij brak met haar, brak hij zelf. Hij dacht alleen te moeten zijn, en alleen was hij. “Alsof ik aan het vallen ben, en het vallen stopt niet.” Hij sliep niet meer. De kille herfstnachten werden zwarter dan ooit. In gedachten kuste hij haar, voorzichtig en vlindervleugelzacht, in werkelijkheid klappertandde hij zijn kaak in een kramp.

Haar smeekbeden werden niet gehoord. Hij meende zijn werelds geluk te moeten opofferen voor een hoger doel. En dat zat hem diep: hij geloofde in schrijven, en schreef over geloven. Zijn gesublimeerd libido manifesteerde zich in creatieve explosies, en sloopte hem tegelijkertijd.

Zijn liefde voor haar bleef echter al die tijd onverminderd diep, en toen zij uiteindelijk een ander kreeg – een mens moet toch wat -, ging hij wederom door een hel. Het probleem is dit: het leven moet achterwaarts worden begrepen, maar voorwaarts worden geleefd. Het is aan ons om te beoordelen of zijn keuze de juiste is geweest, niet aan de arme schrijver zelf.

Een verzonnen verhaaltje? Geenszins! De dame in kwestie heette Regine Olsen, en de gekwelde geest Johannes Climacus aka Søren Kierkegaard. Ouder dan 42 kun je op deze manier niet worden, en dat deed hij dus ook niet.

10 reacties

“Most men die like animals, not men”, concludeerde Ernest Hemingway in 1933. “Wie ein Hund”, klonk het in 1925 uit de mond van Josef K. via de pen van Franz Kafka. Er niet bij stil staan betekent niet dat het niet zo is. Maar wat, in hemelsnaam, als het wél zo is? Zonder God of gebod lijkt alles arbitrair. Wie moraal als niet meer dan een conventie ziet stort zich in een echoloze put van nietszeggendheid. Kruiper heeft geen poot om op te staan. En ik word er bang van.

Ga ik wat kort door de bocht? Ongetwijfeld, maar waar ik zo af en toe niet goed van word is de schmierende grijns van de Nee-zegger. Let wel, de grijns waarmee zijn stelling gepaard gaat is mij abject, niet eens de stelling zelf. Want wat is de zin van het aantonen van zinledigheid? Al slaat U me dood (wie einen Hund), maar ik weet het niet. Wie Nee zegt, moet het lef hebben om met eigen ogen de afgrond in te staren, in plaats van een ander over het randje te duwen.

Uiteraard was Hemingway zelf niet zo’n lachebek, en Kafka nog minder. Het is meer de hedendaagse vanzelfsprekendheid waarmee hun woorden voor kennisgeving worden aangenomen die mij stoort. Atheïsme is hip bij de huidige intelligentsia, en de zoektocht naar zingeving wordt door menigeen afgedaan als een matige grap. Daar waar Hemingway tenminste nog een poging deed, door het leven ten volle te willen leven, lijkt men tegenwoordig bevangen door apathie.

Hoe vrij ben je in een wereld waarin niets er toe doet? Als je kunt doen wat je wilt ben je vrij, maar iets willen impliceert een doel hebben, ergens in geloven. De wil valt weg zónder geloof, wanneer het allemaal tóch niets te betekenen heeft. De arme Kruiper gelooft niet in de maatschappij, zodat hij er hopeloos in gevangen zit. Tot zijn twijfelachtige eer strekt hem het feit dat hij dát in ieder geval zelf nog beseft. Gelukkig is hij een uitzondering.

Ja zeggen tegen het leven is, zo men zegt, de geëigende weg om te ontsnappen aan de existentiële waanzin. Maar doet U dat? Haalt U alles eruit wat erin zit, of eigenlijk, wat U eruit wilt halen? Misschien is het wel projectie dat ik hieraan twijfel. Wat ik U eigenlijk op de mens af wil vragen is waar U in gelooft, en zo U daar geen antwoord op heeft hoe U in godesnaam op de been blijft.

11 reacties