27 augustus 2007

Rond een uur of acht schenkt de heer des huizes het aperitief in, en zo tegen half twaalf ontkurkt hij de vierde fles wijn. Of de vijfde, dat weet ik niet meer. In de tussentijd serveert madame successievelijk een met koude rijst en groente gevulde grapefruit, vers gebakken brood, boontjes van het land, varkensrollade, een rijk gevulde kaasplank en frambozentaart. Dineren aan een table d’hôte is een feest dat ik tijdens mijn verblijf in Frankrijk meermaals heb gevierd. De telkens wisselende disgenoten – nu eens zes, dan weer tien of zelfs meer – spreken vloeiend Babylonisch, en lachen dat het een lieve lust is.

In werkelijkheid is het oorlog.

Zo overkwam het mij op een van deze bacchanalen dat er schuin tegenover mij een Française zat van nog geen vijfentwintig lentes. De onschuld die van haar gezicht te scheppen viel contrasteerde scherp met het venijn van de vraag die ze me onverhoeds stelde. Of ik het ermee eens was dat Vincent van Gogh eigenlijk een Fransman was. Pardon? De heftigheid van mijn ontkenning wekte grote hilariteit aan de overzijde van de tafel. En die vrolijkheid beving alras de rest van het gezelschap. “Tja, zonder Frankrijk geen Zonnebloemen“, werd mij verteld.

U begrijpt dat ik het hierbij niet kon laten zitten. Koortsachtig zocht ik naar een manier om het gat dat die vermaledijde fransozen in onze canon hadden geslagen te dichten. En ik vond iets! “Descartes is meer Nederlander dan Van Gogh Fransman”, repliceerde ik. Immers, ruim twintig jaar woonde deze wijsgeer ‘bij ons’. Sterker nog, vrijwel al zijn werk schreef hij in de lage landen bij de zee. Cogito ergo sum is zo Hollands als drop. Hahá!

Nou, toen was het dus wel gedaan met het feest. Slechts het incidentele getik van desertvorkjes tegen taartbordjes doorbrak de ijzige stilte die na mijn uitbarsting was blijven hangen. Ze hadden verloren, die vrolijke Fransen, en ze wisten het. Ik stond op, ging naar mijn slaapkamer, en bedreef de liefde in het Duits.

6 reacties

22 augustus 2007

Geen vraag hardnekkiger dan waarom. Ook in deze virtuele wereld – reële parabel van de werkelijkheid – kan men er niet om heen. Een bevredigend antwoord weet ik, na al die jaren, nog steeds niet te geven. Dát ik schrijf is tot daaraantoe, maar waarom ik de moeite neem om het resultaat daarvan alhier te plaatsen laat zich maar moeizaam uitleggen. Ziet U, als het mij alleen om het schrijven zou gaan dan maakt het niet uit of ik een stukje uiteindelijk op internet of in de prullenbak deponeer. Omdat het een mij echter zwaarder valt dan het ander is er ontegenzeglijk meer aan de hand. Maar wat?

Eenieder die zich schrijver noemt is eenzaam of ijdel.

U weet net als ik dat een mens zich ook temidden van de massa alleen kan voelen. Heden ten dage durf ik schoorvoetend toe te geven dat ik ooit mijn eerste schreden op internet zette in de hoop geestverwanten te ontmoeten. Ik wilde de wereld laten zien wie ik was, omdat ik in mijn directe omgeving nauwelijks aansluiting vond. De berg moest dus maar naar Mozes komen. Inmiddels waan ik mij rijk met een handvol werkelijke vrienden, getuigen van mijn leven, dat zonder hen niets waard zou zijn. Zij zijn even welkom in mijn binnenwereld als ik in die van hen.

Ofschoon het internet als medium kan fungeren om gedachten te delen valt de noodzaak om er gebruik van te maken weg wanneer je elkaar kunt aanraken, wanneer je de telefoon kunt grijpen, wanneer je samen kunt drinken, lachen en huilen. Een reële vriendschap is kwalitatief gezien zoveel meer dan het geschreven misverstand dat weblog heet. In tegenstelling tot vroeger ben ik mij tegenwoordig op internet meer bewust van mijn eenzaamheid dan in het echte leven.

Maar, gesteld dat ik in werkelijkheid dus niet eenzaam meer ben, ben ik dan gezien de hierboven zo boud geponeerde stelling ijdel? Nee, natuurlijk niet! Laten we het er maar gewoon op houden dat ik geen schrijver ben.

5 reacties

21 augustus 2007

Afgelopen weekend deed ik mijzelf een geodriehoek cadeau. Dat had ik verdiend, vond ik. Mijn vakantie was namelijk dermate goed bevallen dat ik bij terugkomst, nu ruim een week geleden, vrijwel onmiddellijk in een diep zwart gat tuimelde. Het ‘gewone’ leven, waar ik mij plots weer in te schikken had, leek mij onnatuurlijker dan ooit. In de put zag ik geen diepte meer, alleen maar oppervlakkigheid. Ik wist mij in het Loiredal omgeven door kastelen, kloosters en kathedralen, maar hier te lande ervoer ik slechts kleurloze treurnis. En de zon scheen ook al niet!

Wat moet een mens als hij het even helemaal niet meer ziet zitten? Welnu, dan doet hij zichzelf iets cadeau, en in mijn geval was dat een geodriehoek van negentien cent. Hoe zo’n stukje plastic levensreddend bleek vertel ik U dra, maar niet voordat ik mijn relaas van een context heb voorzien. En dat is tevens mijn hele punt: zonder verhaal is mij het bestaan te schraal. Net als Amadeu de Prado wil ook ik niet in een wereld zonder kathedralen leven.

Een maand of wat geleden was ik driftig op zoek naar het boek met de titel ‘Het Wenen van Wittgenstein’, geschreven door Allan Yanik en Stephen Toulmin. Ik wilde het lezen ter voorbereiding op mijn reis naar de geboortestad van de schrijver van de Tractatus. Ergens had ik ervan gehoord, maar nergens was het te krijgen. Uiteindelijk vond ik dan toch via internet bij een antiquariaat een – nota bene – eerste druk uit 1976. Drie klikken later had ik ‘m besteld.

Op de eerste pagina van het duidelijk intensief gelezen exemplaar dat ik enkele dagen daarna in mijn brievenbus geschoven kreeg was in zwierige letter de naam M.v.Amerongen gekrabbeld. Even dacht ik nog .. maar toen al niet meer. Ik verloor mijzelf spoedig in Wittgensteins Wenen. Wel bouwde ik al lezende een band op met mijn voorganger, wie dat dan ook mocht zijn, daar hij de passages die voor hem van belang waren had onderstreept. Nu moet U weten dat boeken voor mij normaal gesproken heilig zijn: zelf maak ik nimmer aantekeningen in een uitgave, neen, daar heb ik een opschrijfboekje voor. Toch stoorden de annotaties mij in dit geval niet in het minst.

Over Wenen heb ik U reeds verteld, maar wat ik nog niet wereldkundig heb gemaakt is de verrassende ontdekking die ik een week voor vertrek naar Frankrijk deed. Bij toeval kwam ik erachter dat juist het antiquariaat waar ik destijds mijn boek had gekocht de bibliotheek van de in 2002 overleden Martin van Amerongen beheert en verkoopt. De onderstrepingen in het werk, niet zelden bij de ‘sappige’ stukken, waren dus inderdaad afkomstig van de voormalig hoofdredacteur van de Groene Amsterdammer. Het was alsof ik hem persoonlijk had leren kennen, een postume vriend.

Toen ik daags nadien tegen een boekje aanliep waarin het leven van Van Amerongen beschreven werd, aarzelde ik dan ook geen moment, en zo kwam het dat ik mij als God in Frankrijk onledig hield met zijn biografie. Geroerd was ik door het feit dat Van Amerongen zijn moeder vlak voor haar dood rondleidde door Wenen, de stad waar hij zelf zo’n zwak voor had. In het vliegtuig terug kreeg zij een hartaanval. Nederland heeft ze nooit meer gezien.

Nu is het niet zo dat mijn vakantie volkomen in het teken van Martin van Amerongen stond, maar de man die ik van zijn onderstrepingen ken staat wel symbool voor iets universelers, voor een mij noodzakelijke, onstuitbare nieuwsgierigheid. Voor het besef niet zonder verhalen te kunnen. Dit gecombineerd met een opmerking van Oek de Jong, wiens dagboek ik eveneens tijdens mijn vakantie las, over het ‘jezelf eigen maken van een boek’ door er in te strepen en te schrijven deed mij definitief van mijn geloof vallen: boeken zijn niet heilig meer. De inhoud daarentegen, ja, dat is als het glas-in-lood van een kathedraal, en vertelt een verhaal dat uiteindelijk alleen het jouwe zou moeten zijn.

Inmiddels ben ik een nieuw project begonnen, waarover ik U meer vertellen zal als ik het ‘mij eigen heb gemaakt’, opdat U er het Uwe mee doet. Met potlood en geodriehoek ben ik een nog maagdelijk studieboek te lijf gegaan. De bevrijding die ik voelde bij mijn eerste strepen laat zich nauwelijks beschrijven. Enfin, vandaar dus het liniaaltje, en het plezier dat ik eraan beleef. Gezegd moet worden dat Van Amerongen zelf geen geodriehoek nodig had, hij stelde zich tevreden met bibberlijntjes, maar goed, ik ben hem natuurlijk niet. En gelukkig maar.

4 reacties