Noem mij Immanuel.

Een paar jaar terug – hoeveel precies doet er niet toe – met nauwelijks een duit op zak, en niets wat mij aan huis gekluisterd hield, besloot ik maar eens een stuk te gaan lopen en de wijde wereld te bezien. Dat was zo mijn manier om de zwartgalligheid te verdrijven en de bloedsomloop op gang te houden.

Met het relaas van mijn omzwervingen zal ik U verder niet vermoeien, maar U mag weten dat ze geleid hebben tot een levenslange liefde voor de wandeling. Dagelijks maak ik een ommetje, zoals ook de heer Kant dat deed. Vandaar mijn naam.

Gisteren kruisten twee tortelduifjes mijn pad. Zij kirde en hij koerde. Ze liepen hand in hand, een huppeltje naast lange passen. Ik werd er vrolijk van. Soms bleven ze even staan. Zij hield dan haar kopje schuin, en hij pikte zachtjes in haar nek. Even later vlogen ze weer op, al cirkelend om elkaar.

Ik dacht aan mijn eigen duifje, met bitterzoet gemoed. Ooit hadden wij het tortelen bedacht, en nu opeens deed iedereen het. Ik miste haar, mijn lieveling. Twee hele dagen had ik haar al niet gezien, een eeuwigheid. Zij maakte het verschil. Laat mij aan haar mond gekluisterd zijn, wenste ik mij, want de wijde wereld, nou, die ken ik wel.

10 reacties

Het bruidje was mooi van jongheid. Zopas getrouwd in de Sint Carolus Borromeuskerk poseerde ze met haar man op het Hendrik Conscienceplein. De zon straalde, speciaal voor haar. Ze bewoog in een roomwitte droom. Enigszins onwennig zocht ze naar de juiste plek. De fotograaf gaf aanwijzingen.

De felblauwe ogen van haar man keken langs de frêle verschijning van het meisje dat hij nu zijn vrouw mocht noemen. Het plein was vol met hippe mensen, strak gekleed en uitbundig gekapt. Zijn eigen pak contrasteerde magnifiek met zijn samengebonden, blonde dreadlocks. Er werd vinyl gedraaid door een DJ.

Negentien waren ze, misschien twintig. Kinderen nog. De fotograaf vereeuwigde hen. Het bruidje lachte haar van tevoren geoefende lach, op haar wangen een blos van geluk. De mooie jongen, haar man, leek precies zo stoer als hij wilde zijn. Het tafereel had iets liefs en iets tragisch.

Juist op dat moment was ik op het Hendrik Conscienceplein. Niet eerder zag ik deze mensen, nooit zou ik ze weerzien. Tot mijn eigen ongenoegen matigde ik mij een oordeel aan. Ik kon er niets aan doen. Te jong vond ik ze, te onervaren. Ze waren nog niemand, maar toch een voorbeeld voor elkaar. Het maakte me bang.

‘Wanneer ben je iemand?’, vroeg ik me later af. Nu pas begin ik zelf het gevoel te krijgen dat ik ergens voor sta, en ik ben allang geen twintig meer. Hoe komt dat? Simpel. Ik ben inmiddels gekneed en gekerfd door ervaringen, zowel plezierige als pijnlijke. Ontgoocheling hoort daarbij.

Ik heb mijn mening dan ook herzien, en wens het echtpaar met terugwerkende kracht alle geluk. Ze doen het goed, al gaan ze verkeerd.

5 reacties

Wie van het station naar het oude centrum van Antwerpen loopt kan moeilijk om De Keyserlei heen. In weerwil van haar statige naam is de deftigheid van deze straat ver te zoeken. Geen winkel nodigt uit. Men verkoopt er diamanten en hamburgers. Het pand op nummer 52 is er één als vele anderen.

Alfons Jozef de Ridder, roepnaam Willem Elsschot, werd op 7 mei 1882 als zoon van de bakker op De Keyserlei 32 geboren. Niets van de omgeving brengt deze gebeurtenis in herinnering. De historie wordt overschreeuwd door het nu. Willem Elsschot scheet er dan wel zijn luier vol, de geur is lang en breed vervlogen. Nummer 32 telt heden ten dage als 52. De warme broodjes zijn verwisseld met ijs.

Ik sta even stil bij dit geboortehuis, kijk omhoog en hoor de kleine Fonne krijsen. Ben ik nou de enige die het merkt? Het lijkt er wel op. Een menigte schuifelt langs. Voorbijgangers staan nooit stil.

Eenmaal in de oude stad warmt mijn hart zich aan de zeventiende eeuwse pandjes die her en der dapper standhouden, en met een schok besef ik dat vergankelijkheid niet van alle tijden is. Huizen van vijftig jaar oud gaan tegen de vlakte om plaats te maken voor nieuwbouw. Eén blik op de prefab constructies en je weet dat ook zij geen lang leven beschoren zijn. Temidden van al deze tijdelijkheid behoudt de Gouden Eeuw echter haar glans. Ergens, ooit, zijn we het vermogen verloren om iets blijvends te bouwen.

Terug op De Keyserlei zwaai ik nog eens naar Fonne. Hij is stil. Op een paar passen van zijn ouderlijk huis protst er een Mediamarkt. Kopers worden gelijmd door jonge Laarmansjes. Ze bakken lucht, verder niets.

10 reacties