28 januari 2009

Elk stukje heeft een eerste zin, zoals deze, die oneindig veel andere eerste zinnen uitsluit, enkel en alleen door er te zijn. Voor zin twee geldt hetzelfde. Wie daar al te lang bij stilstaat komt natuurlijk nooit aan schrijven toe. Eerlijk gezegd sta ik weleens stil, omdat ik in zekere zinnen schrijven wil. En dat is niet zo handig.

Mooischrijverij noemen ze dat met een lelijk woord, maar daar gaat het me niet om. Een juiste vorm geeft de inhoud vleugels. En ik doe gewoon mijn best. Het is dan ook iets anders wat me dwarszit, en dat is mijn toon. Neem nou een zin als de volgende, die met een beetje pech de eerste had kunnen zijn: “Het leven is een doordenkertje, maar wie erom lacht heeft het niet begrepen.”

U zult het misschien niet zeggen, maar achter een dergelijke frase schuilt wel degelijk enig denkwerk. Het jongetje dat ik ooit was is nauwelijks gegroeid: de kinderlijke ernst waarmee ik de zijnsvraag tegemoet treed is nooit verdwenen. Ik blijf me verwonderen, maar weet inmiddels wel te veel om nog te geloven in een antwoord.

Iemand bekende mij eens bang te zijn om dóór te denken, om te morrelen aan de basis van zijn geloof. Evenzeer vrees ik het dogma. Leven is voor alles een voortdurend vragen: hoe verhoud ik mij tot de wereld, tot een ander en tot mijzelf? Wie zijn antwoorden hierop niet in steen beitelt maakt niets kapot.

Wat ik het liefst doe is luisteren en praten, ik zoek de dialoog. Jawel, met U. Ik heb me weleens bedacht dat dit streven eigenlijk ten grond ligt aan al mijn schrijven, de rest is franje. Het belang dat ik hieraan hecht is enorm: dit is leven. In dat licht bezien is mijn toon dus niet zo handig. Het denkwerk dat voorafgaat aan een stukje zou een stukje moeten zijn. Met een sluitstuk als begin komt het gesprek toch immers nooit op gang.

10 reacties

8 januari 2009

Eén klein rukje aan het stuur is genoeg om het tegemoetkomend verkeer met een relatieve snelheid van 160 kilometer per uur te raken. En dan houdt hij zich nog netjes aan de regels. De gedachte windt hem op en maakt hem bang tegelijk, omdat ze zo levensecht is. “Is dit nu waanzin?”, vraagt Kruiper zich af. Bij iedere auto die hem nadert proeft hij het magische moment, waarop hij de tijd stil kan zetten. De tijd kan doden. Dat moment verdwijnt met rode lichten in zijn achteruitkijkspiegel. Keer op keer.

Doodsangst heeft hij niet, soms verlangt hij zelfs naar de grote stilte, maar toch houdt iets hem tegen. Het rukje naar links blijft uit, in tegenstelling tot de mogelijkheid. En de opwinding. Zou het juist de opwinding zijn die hem doet voortgaan? Is die opwinding verslavend? Is het leven verslavend? Kruiper schudt zijn hoofd. “Onzin”, zegt hij hardop, en hij grinnikt om het beeld van de dood als afkickcentrum. Hij zal het leven niet missen.

Iets houdt hem tegen, en dat iets is niets anders dan de drang tot zelfbehoud, onaanwijsbaar aanwezig. Hij voelt het in zijn vezels, en hij rilt ervan. Niet hij maar die drang zorgt ervoor dat hij rechts blijft rijden! De koplampen van de auto’s die hem naderen werpen een verrassend licht op de zaak: vrijdenker Kruiper is helemaal niet vrij. Hij zit gevangen in het leven. Dezelfde drang die hem dwingt om rechts te houden is er de oorzaak van dat hij hier überhaupt rijdt, dat hij vanochtend is opgestaan om naar zijn werk te gaan.

Het is zoveel groter dan hij. De wet van behoud van het zelf veroorzaakt files op de snelweg, en zorgt ervoor dat mensen zich op sluipwegen als deze niet te pletter rijden. Dat ze doen wat ze doen. Kruiper drukt het gaspedaal in, sluit zijn ogen en telt tot tien. Hij wil deze waarheid helemaal niet zien. Hij wil vrij zijn. Maar de klap waarop hij wacht komt niet. Op de elfde tel rijdt hij nog steeds op zijn eigen weghelft. Geflitst en al.

8 reacties

1 januari 2009

Meer van dit!

3 reacties