Twee maanden geleden schreef Leif Eriksson mij: “Het blijft een noodzaak om van theoretisch perspectief te kunnen wisselen en een kunst (geen ambacht) om te weten wanneer welke theorie het meest op zijn plaats is.” Gekke Viking, dacht ik nog, maar zijn opmerking vrat zich vast in mijn piepende brein. Kunst of ambacht, dat maakt nogal een verschil! Een al dan niet ontsokkeld wereldbeeld.

Zo lang ik mij kan heugen leun ik nu eens op alfa, dan weer op beta. Een echte keuze maak ik niet. Taal en logica zijn mij even lief, vandaar dat ik vaak op twee gedachten hink. Toch wil ik graag geloven in een diepste grond, een diepste logische grond wel te verstaan, waarop de rest van mijn denken is gefundeerd. En als ik mij niet sterk vergis bent ook U daartoe geneigd.

Kunst krijgt in dit mentale bouwwerk een eigen kamer, een hele verdieping desnoods, maar het blijft door rede omgeven. Het wordt benoemd. Leif Eriksson draait het om: het gebouw staat op drijfzand. Als U wilt denkt U er gewoon een ander voor in de plaats. Dat die gedachte bij nader inzien zo gek nog niet is, besefte ik onlangs, toen ik mij voor een gelijksoortige tweesprong geplaatst zag.

Bij tijd en wijle (de laatste tijd dikwijls) beleef ik plezier aan het schrijven van code: ik programmeer, en ervaar dat als een welhaast meditatieve bezigheid. Door middel van scriptjes neem ik mijzelf werk uit handen, waardoor ik tijd win, zodat ik weer scriptjes kan schrijven. Ook als U nog nooit geprogrammeerd heeft weet U ongetwijfeld dat er vele talen zijn waarin men hetzelfde zeggen kan.

Tot voor kort was de taal die ik bezigde voornamelijk Perl, eind jaren tachtig door de linguïst(!) Larry Wall ontwikkeld, en ook wel ‘the Swiss Army chainsaw of scripting languages’ genoemd. Larry Wall propageert het idee dat er meer dan één manier is om iets te doen, en dat is meteen zowel de kracht als de zwakte van Perl. De taal is dermate flexibel dat ze gemakkelijk tot onleesbare code leidt. Van de andere kant zijn veel Perl-programmeurs juist trots op hun meest ingewikkelde bouwsels: ze noemen het kunst.

Momenteel verdiep ik mij in een andere taal, genaamd Python, begin jaren negentig door de wiskundige(!) Guido van Rossum ontwikkeld. Het is niet de minste taal: de Google zoekmachine maakt onder haar motorkap gebruik van Python. Anders dan Perl is Python veel strenger, merk ik: er zijn niet zo heel veel manieren om iets te doen, buiten de juiste. En dat laatste charmeert mij. Programmeren in deze taal is eerder een ambacht (geen kunst).

En zo werd de prikkelende uitspraak van Leif Eriksson in een heel ander maar niet minder fascinerend licht bewaarheid. Niet de code zelf, maar het idee erachter, dát is de kunst. Daar zijn geen regels voor. Zoals dat ook voor een goed geschreven stukje geldt.

1 reactie

Vroeger, toen ik mijn broertje, twee jaar jonger maar een kop groter, nog dagelijks tegen het lijf liep, omdat wij beiden het ouderlijk nest nog niet ontvlogen waren, speelde ik het volgende spel. Ik wachtte. Ik wachtte het juiste moment af – het juiste moment was altijd een onverwacht moment – en als dat moment dan gekomen was, dan gaf ik hem een klap waar een normaal mens knock-out van gaat. Zo dus niet mijn broertje. Hij grijnsde in zo’n geval. “En nu ik”, zei hij dan.

Die woorden brachten in mij een adrenaline-bom tot ontploffing, en daar was het me vermoedelijk ook om te doen. Mijn actie was niet te rechtvaardigen, en mijn kleine grote broertje had natuurlijk alle reden om mij tot moes te meppen. Het volgende moment vocht ik voor mijn leven, er diep van binnen wel van overtuigd dat hij evenveel van mij hield als ik van hem. We stoeiden om het stoeien.

Later paste mijn broertje, psycholoog in de dop, andere technieken toe. Gaf ik hem een doodsklap, dan liet hij met de inmiddels bekende grijns en drie woorden de bom ontploffen, en vervolgens deed hij … niets. Glimlachend bekeek hij dan de fysieke en mentale ravage die de explosie teweeg had gebracht: de adrenaline gierde door mijn lichaam, en ik was moreel volkomen in de war. “De afstraffing hou je tegoed”, deed hij er nog een schepje bovenop. Wat een straf!

Dat het nog weer anders kan bracht ik zelf laatst in praktijk, toen de klap vanuit wel heel onverwachte hoek kwam. De vrouw met wie ik huis en leven deel haalde het in haar lieve hoofdje om mij een stomp te geven. Ik draaide me naar haar toe, en herkende in haar geschrokken ogen meteen hetzelfde speelse verlangen dat mij ook weleens bevangt. Haar verhitte gezicht en versnelde ademhaling wonden mij enorm op. Een glimlach kroop mij rond de lippen. “En nu ik”, zei ik.

4 reacties

Techniek mag dan bijzaak zijn, maar oh, oh, oh, wat een genot is het toch om mijn zaakjes op Linux te regelen. Ondergetekende is voorgoed ontwaakt uit de dogmatische sluimer die Windows heet, sinds hij enige tijd terug, op 17 mei van het jaar onzes Heeren 2009 om precies te zijn, de harde schijf van zijn thuis-pc schoonpoetste, en er Vista voor Ubuntu verruilde. Nooit keer ik weerom.

De enige vraag die prangt is waarom ik dit niet jaren eerder heb gedaan, maar tot op heden wint de nerd het van de psycholoog in mij: hij telt zijn zegeningen. Eens de grens gepasseerd oogt de wereld anders, maar ook alleen dan. Ik kon het gewoon niet weten. Zomin als ik begrijp waarom U twittert als U twittert, alleen omdat ik het zelf niet doe.

Waar het nu om gaat is dat ik er weer lol in heb, in die computer, en alles wat ie kan, want dat blijkt meer dan ik voor mogelijk hield. En dat brengt ons weer bij de aloude vraag of het aanbod de vraag bepaalt of andersom. Het is nou net het verschil tussen progressief en conservatief. Ik dacht eraan toen ik onlangs Google Wave gelanceerd zag worden, duidelijk een gevalletje aanbod zonder vraag, waar mijn bek hoe dan ook van open viel. De nerd in mij wachten gouden tijden, zoveel staat vast. En ach, de psycholoog, die trekt wel bij.

6 reacties

De zon scheen fel die dag. Het was drukkend in het aquarium, de kamer met ramen die niet open wilden. Voor je plezier zat je er niet, dit was het echte werk: er moest geschreven worden. Vier studenten tikten er hun laatste studiepunten bij elkaar. En dan had je Kruiper nog, de eenling, wiens klamme handen onwennig een toetsenbord bevochtigden. Als een vis op het droge voelde hij zich, achter deze computer, op de natuurkunde-faculteit.

Even had hij nog overwogen om zijn afstudeerscriptie met de hand te schrijven, uit een koppig soort trots. Zijn handschrift was fraai, uitzonderlijk fraai, dat was het probleem niet, maar zijn begeleider wilde er niets van weten, die was heel wat minder romantisch dan Kruiper. En zo was Kruiper gedwongen om dagelijks naar het aquarium te fietsen, de gemeenschappelijke ruimte van de vakgroep, waar een van de computers geduldig op hem wachtte. Zelf bezat hij er geen.

Het was in die hete zomer van vijfennegentig dat Kruiper zijn eerste mail ontving, een gebeurtenis die alles veranderde. Vanuit Utrecht kwam het epistel, een dag tevoren aangekondigd per telefoon, opdat hij hem niet zou missen. Het was een prachtverhaal, speciaal voor hem geschreven. Kruiper lachte bij lezen breeduit, er wel voor wakend geen geluid te maken, de andere visjes mochten eens denken. Als dit allemaal mogelijk was, dan waren die computers helemaal zo gek nog niet! Weg was het eerdere ongemak, opeens voelde hij zich thuis in het aquarium, omdat hij nu ook de zee kon ruiken. De guppy Kruiper werd gehaaid.

Het kostte hem een kleine week en tientallen pogingen om de mail te retourneren. Het Spartaanse besturingssysteem waar de vakgroep zich van bediende vereiste kennis van zaken die Kruiper niet had. Maar hij had gezien dat het kon, en rusten zou hij niet eer hij ook. Er kwamen meer mailtjes binnen, allen uit Utrecht, in toon gelijk Brusselmans, zoals twintigers schrijven. Ze kleurden zijn dagen, en deden hem zijn scriptie vergeten. Al wat hij terugschreef werd gewist voor verzending, tot het moment dat hij zijn editor niet meer met :q maar met :wq afsloot. Toen was Kruiper volwassen.

Hij versloeg de sfeer in het aquarium, schreef over de visjes en zijn hardnekkige idee dat ze stiekem over zijn schouder meelazen, terwijl ze inderdaad stiekem over zijn schouder meelazen. Op zijn beurt keek Kruiper door de ogen van onze trouwe verslaggever in Utrecht naar de meisjes op de letteren-faculteit. Deze onderstroom zoog hem mee, en werd allengs krachtiger. Kruiper schreef brieven, urenlang. De scriptie deed hij erbij.

Na zijn studie werd Kruiper beroepszwemmer. Wat hij ook deed, altijd was er water. Al snel kon hij zich niet meer voorstellen hoe hij moest leven zonder. Er groeiden kieuwen achter zijn oren. Hij wisselde geregeld van aquarium, maar nooit zonder uitzicht op zee. De ingenieur kreeg betaald voor zijn waterwerken, maar wist diep van binnen donders goed wat hem werkelijk dreef. Niet de techniek, hoeveel plezier hij daar inmiddels ook aan beleefde. Niet de techniek, maar dat andere.

1 reactie