19 juni 2003

Het pand dat ik reeds enige tijd bewoon is een voormalige snoepjesfabriek, waar ooit babbelaars werden gemaakt. Het huis is bijna een eeuw oud, en U kunt zich voorstellen dat het onderhoud de nodige inspanning vergt.

Het log dat ik juist vandaag exact 1 jaar bewoon is feitelijk ook een snoepjesfabriek, tot op heden nog altijd in bedrijf. Op vrij willekeurige tijden wordt U een kleverig snoepje geserveerd, waarop U kauwen en zelfs herkauwen kunt. U kunt zich voorstellen dat het onderhoud de nodige inspanning vergt.

Het moment lijkt mij gekomen voor een periode van bezinning. Geen betere dag dan deze heuglijke voor dit besluit. Ik ga in retraite. In de voormalige snoepjesfabriek. En zal, naast het vele werk dat mij daar sowieso te doen staat, overdenken hoe en of ik hier voortgaan zal.

Ik dank U voor het geduld en de aandacht die U het afgelopen jaar wist op te brengen. En ik vermoed zo maar dat ik U nog wel spreken zal.

En nu is het, ook voor U, de hoogste tijd om de tanden te poetsen.

25 reacties

11 juni 2003

‘He gave man speech, and speech created thought, which is the measure of the universe’, zo schreef Percy Shelley in Prometheus unbound Act 2, Scene 4. Over de maat van alle dingen gesproken.

De taal bepaalt ons denken. “Wat een gelul”, denkt de cynicus, terwijl hij daarmee ongemerkt zelf de link legt tussen denken en taal. Geheel ongelijk heeft hij echter niet.

Ooit maakte ik er zelf terloops een opmerking over, en het deed mij deugd er per ongeluk opnieuw tegenaan te lopen. Het is vrij eenvoudig. De taal verschaft ons een aantal bouwstenen, laten we ze woorden noemen, waarmee we gedachten vormen. Logischerwijs beperken de grenzen van de taal onze denkwereld. Dat dit idee, ook wel bekend als linguistisch determinisme, omstreden is wordt in tweede oogopslag duidelijk.

Immers, wanneer men slechts kan denken in bestaande woorden, hoe kan er dan ooit een nieuw woord worden uitgevonden? Neem nou het woord mikzlog, een jaar geleden nog onbekend, maar nu door iedereen begrepen, alhoewel ik me in dit geval wellicht schromelijk vergis. Andere, en betere, voorbeelden weet U zelf te verzinnen. De gedachte was er dus eerder dan het woord, en niet andersom. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat U en ik woordloos denken.

Het gros der gedachtenkronkels is derhalve ongrijpbaar. Zo heb ik zelf bijvoorbeeld regelmatig uitzonderlijk mooie gedachten. Ik kan daar verder geen kant mee op, want er zijn geen woorden voor. Taal wordt dus niet zozeer gebruikt om te denken, als wel om de gedachten van de een in het hoofd van de ander te plaatsen. Vaak is dat niet mogelijk. Soms wel. Ik doe het op dit moment.

Dezelfde link die ik U tevoren zo vriendelijk aanreikte maakt echter opeens onderscheid tussen bewust en onbewust denken. En stelt zelfs dat er zonder taal van bewustzijn geen sprake kan zijn.

Hier wordt natuurlijk iets gruwelijk over het hoofd gezien, en wel mijn konijntje Pardoes. Uit alles wat ik aan hem observeer kan ik afleiden dat hij zich bewust is van zijn zijn. Veel praten doet hij echter niet.

Niettemin fascineert deze materie. En ik mag de geïnteresseerde leek, zoals ikzelf, dan ook graag het boekje van Pinker aanbevelen, waarmee ik mij momenteel in mijn schaarse vrije momenten vermaak.

10 reacties

6 juni 2003

“De mens is de maat van alle dingen. Daar snap ik dus niks van.”
“Zo moeilijk is dat toch niet?”
“Legt U het mij dan eens uit, Mijnheer.”
“Stelt U zich eens iets groots en kronkeligs voor. Liefst niet zoiets afgezaagds als de kust van Noorwegen.”
“Nou, de kust van Noorwegen is niet bepaald afgezaagd.”
“Vooruit, de kust van Noorwegen dan toch. Laten we die eens opmeten. Wanneer wij erlangs lopen, gebruikmakend van een meetlat van één meter, dan vinden we uiteindelijk de lengte van de kustlijn.”
“Logisch.”
“Niet waar. Wanneer we namelijk in plaats van die meterlange lat voor dit klusje een geodriehoek gebruiken dan komen we tot een andere lengte. Heel wat groter. Omdat de geodriehoek natuurlijk ook kleinere inhammetjes meeneemt.”
“Verrek. Dus de lengte van de kustlijn hangt af van de keuze van de meetlat?”
“Juist. En wie kiest nou die meetlat uit?”
“De mens.”
“Voilà.”

8 reacties

2 juni 2003

Kan men het gevoel dat er ooit was terughalen?

Gisteren was ik in Breda. Stad vol herinneringen, waar ik nota bene mijn gehele middelbare schooltijd doorbracht. Het jazzfestival was goed, beter zelfs dan ik verwacht had. Maar het was anders. Anders dan toen.

Een week of wat geleden was ik in mijn ouderlijk huis. Voor ik het wist bevond ik me op het zolderkamertje waar ik jarenlang bloedserieus stapels boeken doorploegde, ondertussen dromend van het echte leven dat zo ongelofelijk ver weg leek. Het echte leven, dat mij later, ’s avonds voor de eerste keer dronken thuisgekomen, op datzelfde kamertje de la van het bureau voor een urinoir deed aanzien. Het déjà-vu gevoel was misselijk makend.

En nu, sinds een aantal dagen, werk ik wederom op de plek waar ik ooit schouder aan schouder met de heer Lijstje de waanzin bestreed. In een stad waar overigens iemand woont die ik ook al veel te lang niet meer gesproken heb.

Als een onaangename plens koud water valt zo’n dag als vandaag ondanks de hitte dan eigenlijk toch over mij heen.

11 reacties

1 juni 2003

De stilte van de zondagochtend wordt steevast verstoord door het gelui van minstens een dozijn kerkklokken verdeeld over bijna evenzovele kerken. Het heeft ondertussen iets vertrouwds gekregen. Het hoort bij het leven in de binnenstad, en ik zou het nog gaan missen ook als het er niet meer was.

Niet dat ik me er verder heel veel van aantrek. Het klokkenspel is voor mij een ochtendgroet, niet zozeer een uitnodiging. Toch ben ik altijd op afstand gefascineerd geweest door dit kerkelijk leven. Nou ja, eigenlijk niet door de zondagse gang naar de kerk, maar wel door het gevoel dat eromheen hangt, en de ideeën die eraan ten grondslag liggen.

Bijzonder vind ik de religieuze wetenschapper. Degeen die twee schijnbaar onverenigbare werelden hoogstpersoonlijk weet samen te voegen. Hij die na een ochtend onderzoek, de grenzen van de meetbare wereld verkend hebbende, voor de lunch de handen vouwt en zich richt tot die- of datgene waarin hij gelooft. Ik heb mensen als hem gekend.

Het kwam mij, die de wetenschap zelf als religie wilde zien, altijd zo paradoxaal over. Misschien wel als verraad. Maar eigenlijk was het het voelbare onbegrip dat ik mezelf kwalijk nam. Is de hand van God die de gelovige te berde brengt uiteindelijk zoveel onzinniger dan het begrip toeval waarmee de rationele materialist de losse eindjes die de wereld moeten verklaren aan elkaar knoopt?

Ik heb een zekere mate van ontzag voor de mens die op dergelijke wijze diepe gedachte en gevoel samen laat komen.

Dit in tegenstelling tot kousen die zwart zijn, ongemakkelijke kerkbanken, absurde regeltjes, een voor mij verstikkende atmosfeer, en een geschiedenis waarop men onmogelijk trots kan zijn. Vreemd dat er mensen zijn, niet weinig ook, die dit soort zaken juist wel als belangrijk zien. Voeling met de aardse weerslag van welke religie dan ook heb ik vrijwel niet.

De klokken zijn een positieve uitzondering.

5 reacties