Van zijn stoel opstaan, ijsberen, dralen, zich weer zetten, grimassen, grommen, grimlachen, nogmaals opstaan, naar de slaapkamer lopen, van héél dichtbij in de spiegel kijken, op bed gaan liggen, naar het plafond staren, hard lachen, zich half oprichten, zich laten vallen, zijn hand naar zijn hoofd brengen, zuchten, toch opstaan, naar de keuken lopen, filterzakje zoeken, koffiepak openmaken, koffie zetten, weer naar de woonkamer lopen, opnieuw in zijn stoel gaan zitten, neuriën, opstaan, doosje lucifers pakken, kaarsen aansteken, naar de keuken lopen, koffie inschenken, met mok naar de kamer lopen, zitten, cd uitzoeken, speler aanzetten, cd in de speler leggen, op play drukken, geluid zachter zetten, koffie drinken, opstaan, naar de keuken lopen, reep chocola pakken, plak in stukjes breken, brokjes in een bakje doen, naar de kamer lopen, weer zitten, koffie drinken, chocola eten, geluid iets harder zetten, ogen sluiten, luisteren, ogen wijd openen, opstaan, boek pakken, weer zitten, geluid zachter zetten, lezen, van boek opkijken, staren, cd-speler uitzetten, nog veel meer staren, opstaan, pen en papier pakken, zitten, staren, schrijven, huilen.

(maar wat er in die kop omgaat, dát weten we dus niet)

13 reacties

De ruime kamer vult zich met muziek die men tijdloos zou kunnen noemen. Twee mannen beleven het. Hun luisteren gaat met proeven gepaard: de wijn vloeit rijkelijk. Flakkerend kaarslicht weerspiegelt in vochtige ogen. Toch is het niet de invloed van alcohol die maakt dat de mannen hun eigen muziek horen. Kennelijk, zo beseft de een terwijl hij bij de ander een snaar geraakt ziet worden, ligt Schoonheid in de perceptie, niet in de kunst. Een moment later geeft ook hij zich over.

Het idee laat hem echter niet los. Dagen nadien bedenkt hij zich soortgelijks omtrent literatuur. “Er bestaan boeken die ik absoluut goed vind, maar ik weet niet of er absoluut goede boeken bestaan”, mompelt hij voor zich uit, na het dichtklappen van juist een prachtexemplaar. “Als iedereen verrukt is van een zeker letterkundig werk, maar één iemand op de hele wereld niet, maakt die enkeling dan een foutje? Kun je zeggen dat het boek tóch goed is, terwijl er een mens bestaat die het oprecht niet te pruimen vindt?”

Misschien leent kunst zich helemaal niet voor een waardeoordeel, maar moet men er gewoon mee doen wat men wil en wat men kan. De handen dichtknijpen als men iemand vindt met wie men het delen kan. Desalniettemin schrijft de wereld voor wat goed is: er is een al dan niet uitgespelde canon, er worden prijzen uitgereikt aan kunstenaars. De op deze manier in het collectieve bewustzijn geplante criteria maken de beleving van kunst, als men niet oppast, tot iets kunstmatigs. Of is het dat sowieso?

Zijn eigen gedachten heroverwegend schrikt hij. Als Schoonheid in de perceptie ligt dan is er geen ruimte voor het mysterie, voor het goddelijke, voor de door het kunstwerk uitgestraalde platoonse idee van het Schone. Ergens lijkt dit besef zijn genieten minder intens te maken. Hij wíl een wereld achter deze wereld helemaal niet ontkennen. Het is die verborgen plek waar hij juist kracht uit put. Wat het verdomme allemaal nog een beetje de moeite waard maakt.

“Maar,” fluistert hij schor, worstelend, zoekend naar een oplossing, “blijkbaar is de manier van percipiëren niet volledig subjectief. Sommige zaken worden door ieder mens op eenzelfde wijze gevoeld, zodat er wel degelijk ruimte is voor iets absoluut Schoons. Dat verklaart alleszins de canon.” De stap om het absolute, dat klaarblijkelijk in onze wereld bestaat, ook daarbuiten bestaansrecht te geven is er een die ieder voor zich moet nemen, maar hij had het lang geleden al gedaan.

8 reacties

ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha
ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ah ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha

22 reacties

Een paar maanden geleden nam ik afscheid van – onder meer – mijn televisie, en sindsdien is mijn leven niet meer wat het geweest is. Het voelt alsof ik uit een ei kruip. De beschermende schaal die een mens voor excessief denken behoedt is weggevallen, en een soms angstwekkend koude wind waait nu door mijn nesthaar. De storm wordt uiteraard met name door mijzelf aangewakkerd, en het is in mijn ogen dan ook wáár wat mijn bloedbroeder mij onlangs zei, dat ik aan een ‘genadeloos zelfonderzoek’ begonnen ben. Niettemin heb ik nooit eerder ten volle beseft hoe verdovend de werking van televisie wel niet is.

Denken is echter niet zonder gevaar. Naast het letterlijk wegspiraliseren in een ultieme zwartheid, iets wat mij nu enige malen is overkomen, staat denken ervaren in de weg. De man die zijn gedachten niet kan stoppen is te beklagen. Ik citeer U een fragment dat ik enige tijd geleden las in Colin Wilsons The Outsider – naar aanleiding van het boek Seven Pillars of Wisdom van T.E. Lawrence -, een fragment dat grote indruk op mij maakte: “Reading this book has made me suffer. The writer [Lawrence] is infinitely the greatest man I have known, but he is terribly wrong. He is not himself. He has found an ‘I’ but it is not a true ‘I’, so I tremble to think of what may happen. He is never alive in what he does. There is no exchange. He is only a pipe through which life flows. He seems to have been a very good pipe, but to live truly one must be more than that.”

T.E. Lawrence is een exponent van het ras der onstuitbare denkers. Hij was niet gelukkig. Een denker kan verkeerd denken – dat idee is al schokkend genoeg, al naar gelang de waarde die er aan de eigen zelfanalyse wordt gehecht -, maar hier lijkt méér te worden gesuggereerd: geen mens is een geboren denker. Wie het leven, en zichzelf, in modellen probeert te vangen, verliest juist de grip waar hij zo angstvallig naar streeft. Hij stelt zich buiten dat leven, en wordt een Outsider. Ik waag mijzelf niet te vergelijken met Lawrence, maar een zeker begrip, een zekere sympathie wellicht, voel ik wel. Het zou erg jammer zijn als ik het verkeerde dacht, maar ik ben niet báng om te denken. Voor het obsessieve moet ik, en ieder ander, echter waken.

Terugkomend op de armzalige ‘pipe through which life flows’: de beeldbuisverslaafde is uiteraard ook niet meer dan dat. Hij slaagt er weliswaar in om het denken te stoppen, maar met leven heeft het niets te maken. De vraag is: wat dan wel? Vertelt U het mij, als U het weet.

Het woord ‘genadeloos’ dat door mijn broertje werd gebruikt komt overigens niet uit de lucht vallen. Ik denk dat genade – of zelfs: Genade – een sleutelwoord is waar het deze materie betreft. Een week geleden kreeg ik van mijn meest dierbare lettervriend een aantal door hem geselecteerde klassieke muziekstukken geoffreerd, als troost in donkere momenten. Zoals hij het zelf omschreef: “(..) ik heb geen woorden voor de beleving van – laat ik het woord maar gewoon gebruiken – ‘genade’ die muziek als deze mij schenkt.” Welnu, ik heb er ook geen woorden voor, maar de genade voel en beleef ik. Als ik luister dan stopt het denken, het is dán dat ik – even toch – werkelijk leef, als werd ik gestreeld door een vrouwenhand.

9 reacties

Ik ben bang voor de vrouw met de spiegel. Nee. Ik adoreer de vrouw, maar haat de spiegel. Waarom? Omdat de spiegel mij toont zoals ik denk dat ik niet ben. Mijn mond wordt gesnoerd al voordat ik spreek. Hoe nobel mijn intenties ook zijn, ik móet veranderen als de spiegel de waarheid spreekt. En dat vertik ik. Dat kan ik niet. Niet nu, en misschien wel nooit.

“Hoe kan ik ooit mezelf zijn als een ander mij beter kent dan ik?”, maalt het maar door mijn kop. En tegelijkertijd weet ik ook wel dat dát er eigenlijk niet toe doet. Vergeet die reflectie! Het is zaak om dóór de spiegel heen te kijken, en de vrouw te zien. Maar daarin faal ik. Dat lukt me niet. Niet nu, maar misschien wel ooit.

17 reacties

Is het écht waar dat een intense, hechte vriendschap (niet meer en niet minder dan dat) tussen man en vrouw onmogelijk is? Noemt U mij naïef, maar ik weet het antwoord werkelijk niet.

Graag Uw mening.

Is Uw reactie bevestigend dan zie ik mij plotsklaps genoodzaakt om zo’n slordige drie miljard potentiële vrienden bij voorbaat af te schrijven. En dat vind ik nogal wat.

21 reacties

Zaterdagmiddag at ik stenen, en ze zijn sindsdien niet meer verdwenen. Ze liggen zo zwaar op de maag, dat mij het lachen is vergaan. De lichtvoetigheid is kwijt, en ik besef me tot mijn spijt dat die is ingeruild voor moeizaam slepen, door de zuigende klei van ‘n schraal bestaan. Da steh’ ich nun, ich armer Tor! Und bin so klug als wie zuvor. Goethes wiel heruitgevonden, en ik vertel U onomwonden dat ook ik het niet meer weet. Door plompverloren plompheid aangeraakt, ik zeg: de hoofdprijs voor wie mij aan het gniffelen maakt!

6 reacties