Drie jaar voordat de negentiende eeuw onwillig plaats maakte voor de twintigste schoof Karl Kraus voor het laatst aan in café Griensteidl te Wenen. Een week geleden deed ik voor het eerst hetzelfde.

Griensteidl in 1897

Het plaatje van toen lijkt anders dan dat van nu, al is het alleen maar omdat het fameuze etablissement gedurende de roerige periode van honderdtien jaar die de beide gebeurtenissen van elkaar scheidt van de grond af aan opnieuw is opgebouwd.

Griensteidl in 2007

Maar natuurlijk is Griensteidl Griensteidl nog wel. Net zoals U U. En ik ik. Of wilt U zeggen dat U nu iemand anders bent dan het mensje dat zoveel jaar geleden met Uw naam geboren werd? Omdat U heden ten dage niet meer op die hummel gelijkt? Omdat U nou toevallig net niet meer uit dezelfde cellen bestaat? Nee toch zeker!

Een heel ander verhaal is dat van de tijdgeest. Terwijl Uw held met enige gretigheid zijn koffie met Sachertorte naar binnen werkte piekerde hij zich suf over dit spook. Het vervelende is dat men in het algemeen pas bij terugblikken een tijdgeest ontwaart, en zelden op het moment zelf. Achteraf is het altijd makkelijk praten, dan is het nogal logisch dat dit en dat gebeurde. Maar hoe zit het nu?

Het naburige Paleis – zo ziet U op de foto’s – keek neer op het oude Griensteidl maar kijkt op tegen het nieuwe. De symboliek is treffend. Het culturele Wenen van 1900 ontworstelde zich aan het Habsburgse juk, ontdeed zich van ornamentiek en verkende de grenzen van de taal en van het denken. Als men leest over het fin de siècle dan moest dit alles welhaast gebeuren.

Ligt het aan mij of hangt er momenteel óók iets in de lucht?

Hoe langer ik erbij stil sta hoe meer het gevoel mij bekruipt dat het, zoals het nu gaat, niet al te lang meer verder kan. De tijdgeest is anders dan toen, maar hij spookt. Wat het precies is kan ik nog niet goed verwoorden. Ik wil echter niet dat hij mij aan het schrikken maakt, ik wil hem ontmaskeren. En dát is misschien het probleem van deze tijd: iedereen wacht. Straks zegt ie boe.

13 reacties

Mijn leven lang schreef ik seks met een x (de letter, geen kus). En niemand die mij er ooit op wees dat ik het verkeerd doe …

16 reacties

Vanuit het niets bestormt Loris in 1890 de hemel, en hoe: zijn lyriek verzengt de lezer. De esthetische perfectie die hij tentoonspreidt is zonder weerga. De man taalt niet, maar is taal. Schrijverscollectief Jung-Wien omarmt hem, en de wereld volgt. Achter het pseudoniem gaat de dan zestienjarige Hugo von Hofmannsthal schuil.

Meer dan tien jaar fonkelt hij aan het firmament eer hij in 1902 oog in oog komt met zijn grootste criticus, zichzelf. Von Hofmannsthal kent geen medelijden: met wortel en al rukt hij zijn poëzie los van de werkelijkheid. Hij torpedeert de kern, zijn taal. Als er iemand mag, dan hij.

Zijn recht van spreken viert hij op het scherp van de snede bot.

De crisis culmineert in ein Brief, waarin Von Hofmannsthal een zekere Lord Chandos de volgende woorden in de mond legt: “Mein Fall ist, in Kürze, dieser: Es ist mir völlig die Fähigkeit abhanden gekommen, über irgend etwas zusammenhängend zu denken oder zu sprechen.” De dichter bereikt de grenzen van de taal.

Meer specifiek loopt Von Hofmannsthal tegen de onmogelijkheid aan om het meest wezenlijke in het leven in woorden te vatten. Zelfs zijn bovengemiddeld poëtisch vermogen is daartoe niet in staat. Het zal U misschien niet verwonderen, gezien mijn preoccupatie met taal, dat deze brief en het verhaal dat erachter zit mij mateloos fascineren.

Overigens is het niet zo dat Loris, inmiddels ouder geworden, geen oog meer heeft voor het Schone (of: datgene waar het om draait). Hij ziet het wel, maar kan het niet verwoorden. Beseft zelfs dat hij dat nooit heeft gekund. Tussen taal en wereld gaapt een diepe, onoverbrugbare kloof.

En in die zin gaat de ‘Chandos crisis’ ons allemaal aan.

Abstracties – Von Hofmannsthal geeft als voorbeelden ‘Geist’, ‘Seele’ en ‘Körper’ -, woorden die door iedereen (mijzelf incluis) niet zelden gedachteloos in de mond worden genomen, staan los van, en vervagen, de werkelijkheid. Daarnaast is taal altijd indirect. Ik kan Chandos’ woorden bijna horen wanneer hij een onbeschrijfelijk gevoel aanduidt: “(..) es war Gegenwart, die vollste erhabenste Gegenwart.” Een dergelijke ervaring vind je niet in een boek.

Enfin. Ik pretendeer met dit stukje uiteraard niet Von Hofmannsthals taalkritiek te hebben uitgewerkt. Eerder mag U zich uitgenodigd voelen ein Brief tot U te nemen, en zo U daar geen trek in heeft weet dan dat U zich met recht kunt afvragen: “Wat lult die jongen nou?”

2 reacties

Welbeschouwd is ook voorpret pret. Opmerkelijk: voor een storm is er stilte, maar voor pret voorpret. Pas vóór de voorpret is het stil. Een blij verschiet lijkt derhalve de sleutel tot geluk. En dát, waarde lezer, ligt in eigen hand. Immers, leuke dingen kunt U plannen, waarna U zich onmiddellijk verheugen kunt. En dat is prettig.

Toen ik mij een tijdje geleden eenmaal voorgenomen had gelukkig te zijn ben ik onverwijld aan het bekokstoven geslagen. En verdomd, het werkt! Zo bevind ik mij, om maar eens wat te noemen, met hemelvaart in Wenen. De kneukelvreugd die ik daar nu al aan beleef is enorm. Om eerlijk te zijn: van last minutes begrijp ik niets.

Onlangs vertelde ik mijn bloedbroeder hoeveel pret ik wel niet aan voorpret beleef. Hij waarschuwde me met woorden die een Karl Kraus niet hadden misstaan. “Broer,” zei hij, “grommen is leuk, maar blaffen is beter.” Ik hou van die jongen, ook al heeft hij het niet altijd bij het rechte eind.

Karl Kraus, die ik vorige week leerde kennen, is ruim 70 jaar dood. Wie zich, zoals ik, ook maar een béétje verdiept in (de historie van) Wenen zal niet voorbij kunnen gaan aan de culturele explosie die zich daar aan het begin van de twintigste eeuw voltrok. Naast de tijdgeest speelde Kraus hierin een niet onbelangrijke rol.

Deze satiricus en polemist wist in zijn nietsontziende streven naar waarachtigheid een generatie kunstenaars op te voeden. De man was authentiek en werd om die reden bewonderd (en verguisd). Zijn volgelingen waren even oorspronkelijk als hijzelf, en daarom geen van allen met hem te vergelijken.

Arnold Schönberg, Adolf Loos, Oscar Kokoschka, Gustav Klimt en Ludwig Wittgenstein zijn hem, direct of indirect, schatplichtig. Bedenk daar een Egon Schiele, Hugo von Hofmannsthal, Arthur Schnitzler, Stefan Zweig en Robert Musil bij, die in dezelfde tijd dezelfde straten bewandelden, en het plaatje is bijna compleet.

Ook Sigmund Freud, met wie Kraus nou net zeker niet door één deur kon, had Wenen als thuishaven. Zijn sofa, die ik over twee weken zal aanschouwen, werd destijds onder andere door Gustav Mahler warm gehouden. Het doet mijn hart drie keer overslaan: zóveel talent en échtheid op één plek en één moment. Onvoorstelbaar.

Wanneer ik te Wenen in Café Griensteidl, net als de jonge Kraus, een kop koffie drink, zal ik mij beraden over de te nemen stappen. Want het is mij inmiddels overduidelijk waar het heden ten dage aan ontbreekt. Ik mag dan misschien geen Karl Kraus zijn, maar: de tijd is rijp.

Ik moet blaffen, ook al is er geen hond die dat snapt.

8 reacties