mikzlog
dinsdag 18 september 2007

Open brief

Van alle mogelijke vormen die het uitwisselen van gedachten kan aannemen is een correspondentie in mijn ogen welhaast de schoonste. Geen ander medium dan de brief biedt zoveel ruimte voor bespiegeling van het zelf in het licht van de ander. De beslotenheid van het geschreven onderons baant als vanzelf de weg tot de serene sfeer van vertrouwelijkheid die in het sociale verkeer van alledag dikwijls zo ver te zoeken is. Daarnaast verschaft een met liefde geconstrueerd epistel niet zelden een esthetisch genoegen. In een goede brief druipt het schrijfgenot van de zinnen.

Mijn hoge dunk van een briefwisseling is voornamelijk op eigen ervaring gestoeld, hetgeen ook logisch is daar andermans correspondentie natuurlijk niet voor mij is bestemd. Ik neem althans aan dat een brief bij versturen door een envelop en niet door een fles omsloten wordt. Juist omdat de schrijver geen andere lezer dan de geadresseerde voor ogen heeft graaft hij dieper dan hij in een publiek plantsoen zou doen. Dit gegeven plaatst ons tevens voor een moreel dilemma: zijn wij gerechtigd om de brieven van een schrijver te lezen, zelfs al zijn ze beter dan zijn beste werk? De lijst van postuum uitgegeven brievenboeken is niet gering, maar men mag er bij publicatie niet zonder meer van uitgaan dat in het zwijgen van de auteur zijn toestemming besloten ligt. Ik ontken echter niet dat ik, zij het met enige gêne, enorm geniet van dit soort bellettrie.

Eerder dan een verhaal of een roman is een brief een tijdsdocument. Mijn eigen verzameling beschouwend realiseer ik me dat dit het dagboek is dat ik dacht niet meer te schrijven. Mijn toon is constant, het zijn de denkbeelden die wisselen, soms onder invloed van mijn pennenvrienden, dan weer de tijd. Illustratief, zowel voor de confronterende diepgang als mijn veranderend gemoed, is mijn respons op de volgende kwestie, die ik ooit, inmiddels twee jaar geleden, voorgelegd kreeg.

“De vraag die bij mij opkomt is of U weleens de ervaring hebt gehad langdurig de grond onder Uw voeten weggeslagen te weten. Is er ooit in Uw leven een moment gekomen waarop U Uw trots zodanig opzij moest zetten dat men kan spreken van met de billen bloot gaan?”

Ik zou zeggen, probeert U die vraag eens voor Uzelf te beantwoorden. Zie het als een oefening in waarachtigheid. Ik weet dat ik er destijds moeite mee had, ofschoon mijn billen gezien mogen worden. De venijnigheid van de kwestie ligt mijns inziens in het feit dat een ontkenning een bepaalde lafhartigheid impliceert: als U nooit op een dergelijke manier in botsing met het leven bent geweest, dan waait U blijkbaar met alle winden mee.

Twee jaar geleden verweerde ik me met de constatering dat je het iemand niet kwalijk kunt nemen als hij nooit werkelijk door onheil is getroffen. Tussen toen en nu is er echter bijzonder veel gebeurd, en op dit moment zou ik bovenstaande vraag met een volmondig ja durven beantwoorden. Niet dat ik mijn noodlot tegemoet ben getreden, of dat de rampspoed mij vond, neen, veeleer liet ik mijn broek daadwerkelijk zakken, en koos ik - wat men er ook van vond - mijn eigen weg. Een verhaal dat in detail is uitgeschreven in zo’n slordige tweehonderd brieven.


zondag 9 september 2007

Buiten zinnen

Een noumenon is niet van deze wereld. U die dat wel is vraagt zich misschien af wat we er dan mee moeten, met zo’n begrip. Of eerder nog, wat er precies mee wordt bedoeld. Het woordenboek definieert een noumenon als ‘iets dat door het verstand of de geest alleen, buiten alle waarneming, gedacht wordt’.

“Zonder noumena”, luidt mijn stelling, “heeft U geen leven.”

De geschiedenis van de buitenzintuiglijkheid is zo oud als de mens, maar dat zegt natuurlijk nog niets over onze afhankelijkheid van het transcendentale. Vooruit, we hebben het nodig in een complex kentheoretisch systeem als dat van Immanuel Kant. Echter, zelfs ik moet toegeven dat er weleens een dag voorbijgaat dat ik dáár niet aan denk. Buiten dat doet de Van Dale Kant te kort. Of andersom.

Als we uitgaan van de hierboven gegeven definitie blijkt mijn ietwat apodictische uitspraak in feite een tamelijk open deur. Het stikt immers van de noumena in Uw hoofd, en ze allemaal wegdenken is schier onmogelijk. Probeert U het maar.

Toch doel ik tevens op iets dat meer betwistbaar is, namelijk mijn scepsis jegens het onverholen naturalisme dat heden ten dage de aardkloot bezwangert.

Ik word naar van die godvergeten nuchterheid.

U zou de mensen de kost moeten geven die denken precies te weten hoe de wereld in elkaar steekt, maar niet eens kunnen vertellen wat een noumenon is. Waar is de romantiek? Weet U, wat ik in mijn geliefde zie is buitenzintuiglijk. En, ik kan niet zonder haar.