Bij gebrek aan hond laat ik mijzelf uit. De zwarte vingers van de nacht wurgen de avondschemer reeds, terwijl ik raam na raam na raam passeer. Vanuit het donker zie ik de Hollandse huiselijkheid: iedere woning lijkt om een televisie heen gebouwd. Ik ril niet alleen van de kou.
In gedachten ga ik terug naar toen. Zo’n twintig jaar en een half etmaal geleden bracht ik kranten rond, en net als nu voelde ik me ook op dat moment buitenbeen. De ochtend was bezig de duisternis op te slurpen, maar leek de wereld binnenskamers te vergeten. De dagbladlezer sliep nog.
Of ik consument of burger ben? Dat is als vragen naar de kleur van de bankschroef waar mijn hoofd niet tussen klemt. Bas Heijne, overigens een van de weinige columnisten die ik hoog heb staan, maakte dit onderscheid in de krant van vorige week. Maar de media hebben weinig vat op mij.
Niemand kijkt verder dan zijn eigen belevingswereld, en in die zin zijn we allen consument, ook de burger. Het echte probleem is dat vrijwel iedereen zijn plaatje in laat kleuren in plaats van het zelf te doen.
Ze praat snel maar accuraat, zoals een chef-kok groente snijdt. Het vuur staat hoog, haar wangen gloeien. Brauwen wieken over haar gezicht. Ademloos kijk ik toe, vlindernetje in de hand, ofschoon ik ook wel weet dat pure passie zich niet vangen laat.
Ik wil haar hersens likken.
Dan vertraagt ze, en met het tempo slaat het timbre neer: haar stem donkert. Ik zie een glinster in haar ogen, en de echtheid van die traan. Ik duik erin, en proef de zee, verslik me bijna. Ziet ze mijn gespartel? Haar lach bevrijdt me hoe dan ook, en laat me weten dat ik in deze onderstroom nooit verdrinken zal.
Als dan eindelijk de stilte dreigt neem ik het heft, en vul de lucht met woorden. Ze fonkelen, en blijven hangen, zo licht zijn ze. Plots zie ik een weerschijn, in de spiegel van haar ziel. Zilverlust. Zo vrij, zo begrepen sprak ik nooit. Bij haar voel ik me veilig.
Ik stok als zij me kust, en voel haar handen op mijn wangen, maar ook in nek, op schouderblad en billen. Ze spint me in met armen. Ik proef haar tong en denk aan niets. Ja, zo mag ik sterven.
Ik ben Uw deur naar mijn wereld.
De platitude waarvan ik me ooit bediende door te stellen dat iedere derde persoon een eerste impliceert kan erger: dankzij U besta ik. Zonder U zou ik immers betekenisloos zijn. Niet zozeer omdat ik dan nooit door een ander - door U - begrepen kan worden, maar veeleer omdat er in dat geval sowieso geen onderscheid meer is: ‘ik’ kan net zo goed ‘U’ genoemd worden. Of net zo goed niks.
“De ziel is het sterfelijkste deel van de mens”, schreef de te vroeg gestorven Frans Kellendonk in De nietsnut. Een zin waarmee hij zich voor mij postuum onsterfelijk maakte.
Als mijn ziel zo flinterdun is als hierboven geschetst, dan ook de Uwe. Of de hare. En vooral dat laatste lijkt problematisch. Want hoe kan ik nou zo veel houden van iemand wier wezen oplost in levenswater? Wie is zij? Welnu, zij is mijn deur naar haar wereld.
En, ik kan niet anders zeggen, dat is een verdomd fijn deurtje.
juli 2008
juni 2008
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
oktober 2006
september 2006
augustus 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
december 2005
november 2005
oktober 2005
september 2005
augustus 2005
juli 2005
juni 2005
mei 2005
april 2005
maart 2005
februari 2005
januari 2005
december 2004
november 2004
oktober 2004
september 2004
augustus 2004
juli 2004
juni 2004
mei 2004
april 2004
maart 2004
februari 2004
januari 2004
december 2003
november 2003
oktober 2003
september 2003
augustus 2003
juli 2003
juni 2003
mei 2003
april 2003
maart 2003
februari 2003
januari 2003
december 2002
november 2002
oktober 2002
september 2002
augustus 2002
juli 2002
juni 2002
mike(at)mikz.net