Glazige ogen in een ook verder vrijwel uitdrukkingsloos gezicht, het vel strak over de schedel gespannen, de kruin een dorre vlakte waarop het vaalblonde haar niet echt meer groeien wil, jukbeenderen die bijna door de huid heen prikken, de wangen ingevallen: deze man heeft een voorschot op de dood genomen, hoewel hij nog geen twee jaar ouder is dan ik. Hij zit tegenover me, en is mijn baas.
Uit het kleine hoofd komen grote woorden gevallen, die vervolgens bewegingloos op tafel blijven liggen. Over de crisis en meer wat mij niet interesseert. Dat er barre tijden komen, voor iedereen, en dus ook voor mij. De monotone cadans verdooft mijn zintuigen, en mijn gedachten dwalen af. Zou iemand zo humorloos en seksloos als hij (hooguit zijn lachje is stijf) überhaupt wel weten wat passie is?
Ik ken hem niet.
Hij kent mij evenmin, natuurlijk, maar hij is wel degene die mij beoordeelt, die mij weegt en te licht bevindt. Hij verhoogt mijn salaris niet. Het bevreemdt me meer dan dat het me verontrust, deze gang van zaken, zo is het immers altijd al geweest. Ook ik loop niet te koop met mijn gevoel, laat staan dat hij ervoor betaalt. Net als hij ben ik deel van het systeem, een niksje in een ongrijpbaar geheel.
Zomaar opeens geef ik me over aan een dagdroom van een nacht met mijn muze, in schril contrast met het geneuzel van mijn baas. Terwijl hij het heeft over Key Performance Indicators, vrij ik met mijn godin. De situatie is dermate absurd, dat ik het uitproest. Mijn slappe lach legt hem het zwijgen op.
Ook voor volgend jaar voorzie ik een loonstop.
5 reacties
Wakker zie ik haar diep in slaap, het meisje in de vrouw, ver weg naast me. Haar rust vaart in mij en ontroert. Mijn keel brokt, in het zicht van haar stille ademtocht. Om het gezicht dat ik net nog strelen mocht. Ze is mijn alles, om alles wat ze is: deel van mij, geheel van mij. Vrijpartij.
Ik leef in tweezaamheid. Haar denken omstrengelt het mijne en andersom. Alleen, dit moment kan ik niet delen: wanneer ik waak over haar slaap, en bijkans stik van liefde. Hier ligt ze, buiten de tijd gekruld, haar wezen in een waas gehuld, en toch raakt ze me nu haast meer dan ooit.
Stomdronken van geluk buig ik me naar haar toe, mijn lippen naast haar wang, maar kussen durf ik niet. Ik ruik aan haar. Mijn longen vullen zich met meisjeslucht, mijn meisjeslucht, en ik voel de duizel komen. Is het verboden wat ik doe? Misschien, misschien ook niet.
Er is hoe dan ook niemand die mij ziet.
2 reacties
Er was eens … een filosoof. Deze man, bebrild en bebaard, schiep er een duivels genoegen in om zijn ideeën met verhalen te omkleden. Duivels? In ieder geval in de ogen van de schrijver, die hij tegen het lijf liep. Die laatste was, in tegenstelling tot de filosoof, juist gewoon om zijn verhalen van ideeën te voorzien.
Het stokpaardje van de filosoof was Dombo, het vliegende olifantje. En de schrijver was de klos. Dit slurfdier, zo vertelde hij de onwillige luisteraar, heeft leren vliegen met een toverveer. Maar weet U wat nou de grap is? Toververen bestaan helemaal niet! Het olifantje kon al vliegen, maar wist het niet.
Filosofie is niets anders dan dit inzicht. U heeft geen toververen nodig om de wereld te begrijpen. U kunt het zelf! Luister naar mij.
De schrijver snoof. Een mooie filosoof bent U! Geen toverveer, maar wel de wijsheid in pacht. Waar haalt U die nou weer vandaan? Mijn veertje is me lief, Mijnheer, en al zou ik zonder kunnen, dan nog wil ik het niet. Zo gezegd sloeg de schrijver snel zijn armen uit, en vloog weg, de filosoof in verbijstering achterlatend.
5 reacties
Schrijven vreet tijd. Aan menig stukje verspijker ik uren, want het is verdorie niet gauw goed. Het is soms om moedeloos van te worden. Mijn goede vriend Jeroen Brouwers – wie ooit zijn ‘Kroniek van een karakter’ las waant zich innig met hem bevriend -, mijn goede vriend Jeroen Brouwers dus, steekt mij op zo’n moment een hart onder de riem:
Over ’stijl’. Het ontwikkelen daarvan duurt jaren en kan alleen ontstaan in rust. Ieder woord moet worden bekeken, gewikt, geproefd, gestreeld, geslagen, geneukt, verworpen, juist als ware het woord een hoer. Je moet hooghartig met woorden omgaan: niet moeten woorden regeren over jou, maar jij moet regeren over de woorden. Het moet voor ieder woord dat je neerschrijft een eer zijn dat het in je proza mag fungeren. Alleen wie zo schrijft, geeft flonker aan iedere zin die hij schrijft.
En zo is het maar net. De prijs is hoog, het kost veel pijn en nog meer moeite, maar uiteindelijk krijg ik ze dan toch precies waar ik ze hebben wil, mijn slavinnen. Vereenzelvig ik mij met de prostituant, dan gaan de woorden voor mij op hun knieën. En dat geeft onherroepelijk een kick.
Voor de goede orde, dit soort macho spierballentaal beperkt zich slechts tot bespiegelingen over mijn getroubleerde relatie met het geschreven woord. In het dagelijks leven gaat het me gelukkig een heel stuk gemakkelijker af. Daar vallen ze althans zonder boe of bah als blokken, de mokkeltjes.
2 reacties
Hij sms’t: “Met lome slagen zwem ik over het vrijwel rimpelloze water van je buik, en duik dan plotsklaps kopje onder. Daar proef ik zilt, en voel ik warmte. De druk op mijn oren neemt toe. Ik worstel, en jij komt boven.” Stilistisch misschien niet heel erg fraai, maar voor een sms’je uit de kunst.
Al zegt hij het zelf.
Pas na het verzenden ziet hij met het karmozijn op de kaken dat de ontvanger, inmiddels even roodbewangd als hij, geheel niet is wie hij voor ogen had.
7 reacties