We hadden elkaar nog nooit gezien, slechts geschreven, maar zijn woorden hadden de mijne kunnen zijn en andersom. Wij waren onwaarschijnlijk geestverwant. En er was wel meer onwaarschijnlijk, zoals het feit dat ik op dat moment, inmiddels drie jaar geleden, op precies één steenworp van hem verwijderd woonde, anti-kraak, temidden van de puinhopen van een half geleefd leven. Na tien jaar weer alleen, maar door hem niet eenzaam. Vriendschap is liefde. Wij schreven liefdesbrieven.

Op zeker moment besloten we elkaar te ontmoeten. We moesten praten, en maakten een afspraak: op 19 september 2006 zouden we elkaar zien. Die middag berichtte ik hem waar precies in Utrecht ik woonde. Verbijsterd antwoordde hij mij dat wij meer dan alleen ons gedachtengoed gemeen hadden. Wij bleken ook een supermarkt te delen.

Die avond stond hij voor de deur, en ik kan me het moment vlak voordat ik opendeed nog goed herinneren. Ik binnen, hij buiten, beiden in spanning. Zou het openen van die deur iets tussen ons veranderen? Ik wachtte even, deed toen open, en voor het eerst keken wij elkaar in de ogen. Spiegel van zijn ziel, spiegel van mijn ziel.

Afgelopen week vierden we dat we onze vriendschap al drie jaar vrijwel dagelijks vieren. We haalden herinneringen op aan die eerste, merkwaardige avond. En aan het moment dat ik de deur opendeed. “Stel je nou eens voor”, zei hij opeens, “dat jij of ik geschrokken was van wat ie toen zag. Dat jouw kop mij niet aanstond, of de mijne jou niet. Dan was alles misschien wel heel anders gelopen, en zaten we hier dus mooi niet.”

Ik wilde daar natuurlijk niet in meegaan. Wij deelden ziel en zaligheid, toen al, en zoiets oppervlakkigs als zijn of mijn uiterlijk had daar niets aan af kunnen doen. Toch dank ik God nu op mijn blote knietjes dat ik zo onwaarschijnlijk knap ben, en niet behept met een Neanderthalerkop.

6 reacties

De titel van dit stukje is de titel van een boek dat niet geschreven werd om ooit gelezen te worden, althans niet door mij. Het betreft een verzameling brieven van Gustave Flaubert, een schrijver die ik niet eerder las en dus ook niet kende. Ja, zijn reputatie was mij bekend, maar zijn werk, laat staan de man zelf, niet. De vraag die ik mijzelf voortdurend stel bij lezing van dit boek is deze: klikt het tussen hem en mij? En, interessanter nog: doet dat er eigenlijk toe?

Omdat ik het boek nog niet uit heb is het een beetje voorbarig om te concluderen dat het tegen wil en dank klikt, maar daar lijkt het vooralsnog op uit te draaien. Flaubert kankert op de wereld der burgermannen en stelt daar eigenlijk niet veel meer tegenover dan: zichzelf. En dat is de pest, hij komt ermee weg, want: “It’s Gustave Flaubert we’re talking about.” Niet de minste, dus.

Ik weet dat Flaubert privé en werk strikt gescheiden hield. De mens achter de schrijver dient te allen tijde onzichtbaar te zijn, zo was zijn vaste overtuiging. En ook daarom is deze bundel pikant, want in een goede brief gáán de billen bloot. Het doet er niet toe of het klikt tussen hem en mij, aldus Flaubert. Maar als het aan hem had gelegen was dit brievenboek er nooit geweest.

Een genre dat Flaubert niet kende omdat het pas ruim een eeuw na zijn dood werd bedacht is die van het weblog. In mijn ogen – maar wie ben ik? – is het vrijwel onmogelijk om de mens erachter onzichtbaar te laten zijn. Los van de vraag of we van literatuur kunnen spreken is een weblog bij uitstek een manier om met de billen bloot te gaan. Voor mij doet het er in dat geval wel degelijk toe of het klikt of niet tussen lezer en schrijver.

Anders dan Flaubert met zijn brieven kiest een weblogger er bewust voor om zijn schrijfsels te publiceren, en dat is een belangrijk verschil. Een weblogger die kankert op de wereld der burgermannen doet dat met een heel andere intentie dan Flaubert dat deed. Buiten het feit dat ik tot op heden geen weblogger heb gezien van het kaliber Gustave Flaubert komt zo iemand er, als U het mij vraagt, nu niet meer mee weg. Haat op zich is helemaal geen deugd.

Nou ken ik niet zo veel webloggers waarmee het gevoelsmatig niet klikt, maar er zijn er toch een paar die ik niet blief. En nu het vreemde: ik lees ze altijd! Doodmoe word ik ervan, want ze irriteren me. Kent U dat? Ik erger me mateloos aan hun arrogantie.

De haat van Flaubert dreef hem tot het schrijven van boeken waarin hijzelf afwezig is, boeken ook waaraan hij gemiddeld zes jaar schaafde, boeken waarin hij voordurend zocht naar le mot juste. Het gekanker van de weblogger daarentegen leidt tot niets. Het heeft geen enkele zin om af te geven op de middelmaat, op de massa die zich niets laat smaken omdat ze zogenaamd geen smaak heeft. Het enige juiste antwoord op het ontbreken van schoonheid is het creëren van schoonheid. Wie ziek wordt van het maaiveld moet er bovenuit stijgen, op zijn hoogst eigen manier. Alleen dán is haat een deugd.

En het is nodig ook: ik veracht de mens die de massa veracht en er niets mee doet evenzeer als de mens die de massa niet veracht. Want, en dat zult U met me eens zijn: apathie is hoe dan ook een zonde.

9 reacties

Toen ik twaalf was begreep ik niet veel van meisjes van twaalf. Nu ik geen twaalf meer ben eigenlijk ook niet. U, die misschien zelf ooit meisje van twaalf is geweest, moet het mij maar vertellen: wat gaat er toch in die hoofdjes om?

Afgelopen zaterdag stond ik voor het eerst voor een klasje van deze meisjes, in de sporthal, om ze te leren volleyballen. Omdat ik één keer te weinig nee heb gezegd mag ik mij komend seizoen trainer noemen. In mijn ogen hadden ze het slechter kunnen treffen, maar maak dat die meisjes maar eens wijs. Sterker nog, maak ze wat dan ook maar eens wijs: hoe je volleybal speelt, bijvoorbeeld. Leg ik ze iets uit, zijn ze het na een paar minuten al weer vergeten. Wat even goed ging, gaat vanzelf weer fout.

Nou moet U niet denken dat ik er geen lol aan beleef, aan mijn trainerschap, want dat is tot mijn eigen verrassing dus wél het geval. Het is alleen dat ik die meisjes niet begrijp. Maar misschien zie ik het helemaal verkeerd: misschien begrijp ik die meisjes wel, maar begrijpen zij mij niet. Er zijn immers wel meer mensen die mij niet begrijpen, dus waarom zij wel?

De volgende keer het blokje elementaire natuurkunde en de wetten van Newton maar achterwege laten, en ze zonder rekenmachine laten slaan. Eens kijken of dat helpt.

4 reacties

De muren van de slaapkamer van het huis dat ik bewoon zijn onbevlekt, en dat wil ik graag zo houden: liever geen muggenlijkjes boven mijn bed. Het eerste wat ik kocht, na de aankoop van het huis, was een met schrikdraad bespannen tennisracket. En dat werkt perfect. De mug die het nu waagt mijn nachtrust te verstoren krijgt een paar volt door zijn kloten, en van hem spreken wij niet meer. Mijn muren blijven mooi, ik was mijn handen zo nu en dan in onschuld en slaap als een lammetje.

Pas geleden ging er echter toch iets mis. Het was geen mug waar ik last van had, maar een dikke, vette bromvlieg. Gek werd ik van het doffe gezoem. Automatisch greep ik naar mijn racket en ging op jacht. Met een fikse uithaal raakte ik het beest, het vonkte dat het knetterde, maar … de fucker vloog door. Twee keer zo snel ging ie opeens, en zijn eerst lage zoemtoon was nu hoog, als gilde hij het uit van de pijn. Mijn maag keerde zich om.

De vlieg ontweek al mijn verdere slagen, en verschool zich aan de binnenkant van mijn bedlampje. Hij wist natuurlijk dat ik hem daar niet raken kon. Met het racket sloot ik de lampenkap af, en zo had ik het beestje gevangen. Ik zette de draden onder stroom en wachtte, ik wachtte totdat de vlieg zich de dood in zou storten. Maar dat deed hij niet. Deze vlieg wilde helemaal niet dood. Het klamme zweet brak me uit. Niet hij maar ik was het monster.

Met één vinger tikte ik aan de buitenkant van de lampenkap op de plek waar de vlieg zich bevond. Tik tik tik. Het duurde nog best een tijdje voordat hij viel, en ik durf te zweren dat ik hem zag schokken toen hij het racket raakte. Daarna was het stil. Het rook naar brand. Geen oog deed ik meer dicht, die nacht.

10 reacties

Ik is een vreemde lus: als ik ik zeg, dan heb ik het over de persoon die het op dat moment over mij heeft, en die persoon, dat ben ik. Logisch. Maar ben ik ook een vreemde lus? Een subtiel verschil. Het woord ik, waarmee ik naar mezelf verwijs, is toch zeker wel iets anders dan de ik die verwijst? Of niet?

Voor een euro of tien gaf ik mijn computer ogen: ik kocht een webcam. En daarmee deed ik het volgende experiment. Ik richtte de webcam op mijn monitor, en liet mijn computer zien wat ie zag. Over zelfreferentie gesproken! Op mijn monitor verscheen een monitor met daarin een monitor met daarin een monitor …

Met video feedback kun je uren spelen. Hou de webcam een beetje schuin, en zie de monitoren spiraliseren. Hou je hand tussen webcam en monitor, en kijk, wel honderd handen! Prachtig vind ik dat. Maar leert het mij iets over mezelf? Het leert mij vooral dat ik dit soort zaken prachtig vind. Wie ik ben dus, niet wat ik ben.

Een analogie is nog geen waarheid, schreef ik een tijdje terug quasi nonchalant. En daar blijf ik bij: ik ben geen webcam die zijn eigen beelden filmt. Het probleem is echter dat je zonder analogie niet ver komt. Zonder het woord ik kan ik niets over de ‘echte’ ik (die misschien een illusie is) zeggen.

En die echte ik leest hier samen met U wat ie zojuist zelf schreef, als was ie een webcam die zijn eigen beelden filmt. Ik weet niet wat Mike precies is, maar mIKe is hoe dan ook een vreemde lus. En U bent deel van die lus: U bent die honderd handen. Bij wijze van spreken dan, want U bent niet met zoveel.

U vormt zich een beeld van mij, en tegelijkertijd vervormt U het beeld van mij. Ik doe daar overigens even hard aan mee: ik reageer op Uw reacties en laat mij zo op Uw manier kennen. Prachtig vind ik dat.

Iedere online identiteit is fictie, en de mens die erachter zit is echt. Ja, was het maar zo simpel. Want ook de mens die erachter zit laat zich beïnvloeden door U, de ander, voorzover die echt is. Alles lijkt wel fictie! Tot overmaat van ramp gebruiken steeds meer mensen hun echte naam voor hun online identiteit.

“Zie, ook U kunt twitteren!”, zegt U. En misschien heeft U gelijk. Ik geef toe dat het fenomeen twitter mij fascineert, en in een vlaag van verstandsverbijstering heb ik ooit eens een account aangemaakt. En toen niks. Behalve dan dat ik dat account gelijk op private heb gezet. Ik is een vreemde lus. Ik ben een rare jongen. En dat hoeft niet iedereen te weten.

11 reacties

Deze frase bevat drieënveertig letters en een punt.

5 reacties