Toen ik het hoorde voer er een lichte huivering door mijn verder nog altijd goddelijk lichaam. Ik was op alles voorbereid, behalve dit. De teamindeling voor het volgend seizoen.
Zo U weet pleeg ik met vaste regelmaat in competitieverband een balletje te slaan. Aan het eind van het volleybaljaar, ergens in mei, wordt er door de vereniging gewikt en gewogen. Een tafereel dat ongetwijfeld bij iedere sportclub te aanschouwen is. De jonge talentjes worden overgeplaatst naar hogere teams, in tegenstelling tot de wat oudere garde, voor wie er feitelijk geen hoop meer is. Ik ben natuurlijk een probleemgeval, want niet meer zo piepjong maar toch al wel jarenlang een belofte.
Afgelopen week werd de definitieve selectie bekend gemaakt. Ik had mij, niet gespeend van enig realisme, ingesteld op handhaving van mijn status-quo. Wat schetste echter mijn verbazing toen mij ter ore kwam wat men bekokstoofd had?
Niet één doch maar liefst twee klassen hoger zal ik spelen. En met mij het hele team waarmee ik afgelopen jaar winst en verlies deelde. Goed, er wordt natuurlijk domweg een gat opgevuld dat is ontstaan door het onvoorzien uitvallen van weer een ander team, maar dat neemt de verrassing niet weg.
En het heeft zo z’n consequenties. Twee avonden in de week trainen in plaats van één, en minstens twee keer zo heftig op de bek gaan tijdens de wedstrijden op de zaterdag. Ik weet niet of U bekend is met volleybal op een iets hoger niveau dan camping-, maar laat mij U zeggen, het kan er ontzagwekkend hard aan toe gaan.
Over een maand begint het nieuwe seizoen. Nog even geniet ik van m’n rust, maar stiekem kijk ik al wel uit naar de wekelijkse gang naar de slachtbank die komen gaat.
2 reacties
.. ik dacht, laat ik ‘m zelf maar even inkoppen.
4 reacties
Goede schrijvers hebben twee dingen gemeen: ze willen liever begrepen dan bewonderd worden; en ze schrijven niet voor de al te spitsvondige lezer. Aldus de heer Nietzsche.
Gezien Uw spitsvondigheid ben ik hooguit een middelmatig schrijver.
Gelukkig pretendeer ik geen schrijver te zijn. Sterker nog, mijn tenen willen nog weleens krommen wanneer iemand zichzelf als zodanig presenteert. Tot aan kramp toe. Begrepen worden wil ik wel. Desnoods onbewonderd. Vandaar dat ik Uw aandacht koester. U geeft mij tenminste de illusie te luisteren.
Maar, wie begrepen wil worden moet natuurlijk wel iets te zeggen hebben. Al zeg ik het zelf, dat heb ik. Mocht U daar een enkele maal aan twijfelen, dan is dat ongegrond. Ook – of eigenlijk vooral – over het ongeschrevene denk ik na. En ik verheug mij ten zeerste over het feit dat U ook leest wat ik niet schrijf.
Daarnaast, wat zou dit log zijn als U er niets aan toe te voegen heeft?
3 reacties
Een mens wil wel eens wat anders, beters, en dus dacht ik onlangs, kom, laat ik mijn karakter eens verbouwen. Misschien verbaast het U, maar als ik heel eerlijk ben valt er aan mij nogal wat te fine-tunen. Zo is daar bijvoorbeeld het halsstarrige, dat U van mij niet kent, maar ik zelf wel degelijk. Zit er eenmaal iets in mijn hoofd, een bepaald idee, dan laat zich dat maar moeilijk aanpassen. Een vervelende eigenschap, waar ik eigenlijk niets aan heb, en een ander al helemaal niet. Weg ermee, dus.
Hoeveel makkelijker toch is zeggen dan doen. Mijn halsstarrigheid blijkt hardnekkig. En dat is vervelend, temeer daar ik me er zelf zo graag op laat voorstaan voor alles open te staan. Wellicht is het gemakzucht dat mij mezelf liever bij het oude doet laten. Indien dat het geval, dan moest ik daar dus eerst aan schaven. Maar hoe doe je dat? Het is mij een raadsel.
Uit het veld laat ik me echter niet slaan. Vooralsnog weiger ik te geloven dat ik een voldongen feit ben. Daar ben ik toch zeker te koppig voor.
8 reacties
Met roodgekoond gezicht kroop ik afgelopen zaterdagnacht onder de lakens. Het is eigenlijk bijna niet te geloven wat een zomerzon kan aanrichten. Die dag speelde ik het welbekende spel met bal en net op het strand, en in mijn enthousiasme was ik vergeten mijn gezicht te smeren. Nu nog steeds ben ik stralend middelpunt.
Ik kan me wel voor de verbrande kop slaan.
Een foutje dus, een vergissinkje, waarmee ik maar wil aantonen dat ook ik enigszins menselijk ben. Dat laatste mocht U wellicht verbazen, maar met de jaren ben ik er zelf van overtuigd geraakt dat ik feitelijk slechts halfgod ben. Ik hoop dat ik U niet teleurstel.
Vroeger, toen ik nog dacht dat ik nimmer falen mocht, faalde ik nimmer. Ik had natuurlijk geen leven, maar goed. Ook perfectie heeft haar prijs. Tegenwoordig ben ik een stuk soepeler. Er zijn dagen, dan stapel ik fout op fout. Niet dat ik nu zoveel meer leef, daar niet van. Tenzij men leven gelijk stelt met zich vergissen, hetgeen misschien nog niet eens zo’n gekke gedachte is.
Wat echter zorgen baart is het feit dat ik me nogal eens aan dezelfde steen stoot. Fouten maken is tot daar aan toe, maar om daarbij ook nog eens in de herhaling te schieten, dat is een halfgod onwaardig. Zelfs een ezel.
Vanzelfsprekend zal ik verder in details niet treden. Immers, zonder schaamrood zijn mijn kaken reeds gekleurd genoeg.
5 reacties
Als ik het wel heb, dan klopt het niet.
5 reacties
Ooit ervoer ik een moment waarop mijn hart ja zei, en mijn hoofd nee. Althans, zo dacht ik. Later verwierp ik dit beeld, omdat ik ervan overtuigd raakte dat zowel het hoofd als het hart tussen de oren zit. En hun onderlinge strijd zeker. Tenzij een persoonlijkheid gespleten is zal er van een intern conflict geen sprake zijn.
Toch wil ik nog weleens door twijfel bevangen worden.
Natuurlijk ligt dit niet aan mij, maar aan U. Mijn hartstochten zitten gewoon in mijn hoofd, en worden er niet door beteugeld. Nee, de rem zit ‘m in de omgeving. Ik doe niet altijd wat ik zou willen doen omdat ik rekening hou met. Soms zelfs ten onrechte. Was U er niet geweest, dan had ik heel andere dingen gedaan.
Het kan haast niet anders dan dat U weer door mij in toom gehouden wordt. En door al die anderen. Of bent U een van die mensen die precies doen waar ze zin in hebben, ongeacht wat een ander ervan denkt? Bent U zo iemand waar ik weleens jaloers op ben?
13 reacties
Mijn lichaam kent een aantal overtolligheden. Een voorbeeld dat mij nu toevallig te binnen schiet is de verstandskies (rechts onder). Een kniesoor die daar op let, natuurlijk. Zo iemand is de kaakchirurg, met wie ik hedenmiddag om een uurtje of tien over half drie een afspraak heb.
De kies moet eraan geloven, en dus ook ik.
Het is uiteraard niet de bedoeling dat U nu denkt dat ik enigszins gespannen ben. Of dat ik om een bemoedigend woord verlegen zit. Of, gruwel, dat ik zielig ben.
Neen, wat ik probeer te illustreren is dit: zo overtollig de kies, zo overtollig dit stukje.
20 reacties
Stel voor, U bent gelukkig. Onzin natuurlijk, maar laten we de hypothese eens bezien. U heeft alles wat Uw hartje begeert. Er is niets meer om naar te smachten. En dus wordt U verteerd door een nietsontziende verveling. Door leegte. Kortom, U wordt er niet gelukkig van. Er klopt iets niet, met name dat hartje.
Ho. Wacht even, zegt U nu, geluk bestaat juist alleen bij de gratie van het smachten. Slechts wanneer men ontbeert is de aangename tinteling die gelukkig maakt voelbaar. Hoe dan, vraag ik me af, kan men smachten naar iets dat minder gelukkig maakt? Immers, heeft U bereikt waarnaar U smacht, dan is de tinteling, en daarmee Uw geluk, verdwenen.
Makkelijk zat, dient U mij van repliek, we vinden het geluk in het smachten naar het onbereikbare. Maar wat is dat dan, vraag ik U. En nog een keer: wat is dat? Euhm, geen idee, is Uw antwoord. Tja, moet ik vervolgens beamen, dàt is inderdaad tamelijk onbereikbaar.
12 reacties