mikzlog
woensdag 27 oktober 2004

Post

Bijna twee jaar geleden fietste ik door Afrika. Gambia, om precies te zijn. De fiets, gehuurd van een man die de kunst van het bandenplakken verstond en daarom plaatselijk bekend stond als the Professor, bracht mij en mijn bagage naar de plek waar ik wezen moest: een SOS-kinderdorp. Voordat ik vertrok uit Nederland had ik de helft van mijn rugzak gevuld met kleding om weg te geven. Eenmaal daar was het goede doel snel gevonden. Noem mij een idealist, en ik neem het U niet kwalijk. Veel stelde het allemaal overigens niet voor, ik gaf de kleding af, en maakte rechtsomkeert.

Het kwam weleens voor dat ik iemand sprak in dat merkwaardige landje aan de westkust van het donkere continent. De mensen waren allervriendelijkst, ofschoon de hartelijkheid zo af en toe slechts huiddik leek. Altijd kreeg ik de vraag waar ik dan wel vandaan kwam. Gevolgd door het verzoek om adressen uit te wisselen. Soms ging ik daarop in. Noem mij naïef, en ik neem het U niet kwalijk.

Terug in Nederland ontving ik brieven. Niet zo heel veel, maar toch. Genoeg om de blik meewarig te laten zijn wanneer ik ze onbeantwoord terzijde schoof. Want wat moet je met schrijfsels waarin om geld gevraagd wordt? Of om een telefoon? Of een voetbal? Ik kan er niet zoveel mee. Gisteren kreeg ik post. Wederom. Twee jaar na dato zwerft mijn adres er blijkbaar nog steeds rond. De afzender is mij niet bekend. Net als voorgaande brieven zal ook deze zijn weg naar de papierbak vinden. Noem mij koel en afstandelijk, en ik neem het U niet kwalijk. Al denk ik niet dat het terecht is.


dinsdag 26 oktober 2004

De onzin

Mag ik Uw aandacht voor het volgende taalkundige fenomeen? De onzin. Ofwel de zin die geen zin is, want niet volledig. De zin zonder werkwoord bijvoorbeeld. Of zonder onderwerp.

Tenzij in een context geplaatst onbegrijpelijk.

Niet zelden is de onzin die ik uitkraam in onzinnen verpakt. Blijkt.

Hoe geinig.


maandag 25 oktober 2004

De wereld een wachtkamer

Wie wacht er niet op dat wat komen gaat?


zaterdag 23 oktober 2004

Ziende blind

Klagen mag ik niet. Krijg ik vaak te horen. Wie aantrekkelijk én slim is houde zijn mond. Nu is mijn aantrekkelijkheid inderdaad spreekwoordelijk, maar mijn slimheid, die is vermoedelijk pas met de jaren gekomen. Vroeger was ik niet zo scherp, weet ik nu.

Hoe vaak ik niet schaamteloos verleid werd, zonder dat ik er erg in had. Legio zijn de keren.

U kent dat wel, van die bij-nader-inzien-momenten, waarop je uit pure verveling eens gaat puzzelen met stukjes herinnering. Een steelse blik hier, een quasi onschuldige opmerking daar. Plotsklaps vallen de stukjes op hun plaats, en besef je dat je oerdom bent geweest. Te laat natuurlijk, eeuwen te laat.

En het was dus ook niet dat ik er destijds geen behoefte aan had of zo hoor. U wilt het niet geloven, hoezeer ik hunkerde!

Nee, zo dom als toen ben ik nu niet meer. Als zoiets op dit moment zou gebeuren dan zou ik het gelijk door hebben.

Als.


dinsdag 19 oktober 2004

In memoriam

Hij had gewacht totdat ik weer thuis was.

Ik was elders, afgelopen zondagmiddag, zodat hij het rijk alleen had. Al een tijdje ging het niet meer zo heel goed met Pardoes. Steeds vaker bleef hij liever in z’n eigen hok dan in de woonkamer. De levenslust was verdwenen. Pardoes was doodziek, en daar kon geen dierenarts meer wat aan doen.

Ofschoon ik amper aan de gedachte kon wennen, had ik besloten dat hij maandag een spuitje zou krijgen. Het kon zo niet langer, en ik wilde hem voor alles verder lijden besparen.

Toen ik zondagavond laat thuis kwam zat hij echter midden in de kamer. Hij keek me aan met grote ogen. Blij begroette ik hem, als vanouds. Ik praatte wat met het beestje terwijl ik aan ‘m plukte, en beloofde hem z’n kooi te verschonen, hetgeen ik prompt daarop deed. Zijn laatste nacht zou een fijne zijn, in een fris hok. Terwijl ik bezig was met zaagsel en hooi keek hij van een afstandje toe.

Ik riep hem toen ik klaar was, en met een snelheid die hij in geen maanden meer had laten zien spurtte hij naar z’n kooi. Met een sprong belandde hij in het hooi, en zeeg toen ineen. Uitgeput. Terwijl hij stuiptrekte, aaide ik ‘m over z’n koppie en fluisterde: “Ga maar, jongen. Het is goed zo.” En hij ging, mij met pijn in het hart achterlatend.

Het konijntje dat vocht als een leeuw is niet meer. En ik mis ‘m. Heel erg.


donderdag 14 oktober 2004

Plat du jour

Graag had ik U vandaag iets licht verteerbaars voorgeschoteld, maar wat is moet zijn, en zo ook de nu volgende middelzware kost.

Diep van binnen ben ik een determinist, en daar kan ik niets aan doen.

Al vrij vroeg in mijn armzalige leven trok ik de ultieme consequentie uit de gedachte dat aan iedere omstandigheid een oorzaak voorafgaat. Namelijk dat ik geen keuze heb. Al wat ik doe is slechts gevolg. Waar geen wil is is een weg.

Ergens in mijn tienerjaren raakte ik bekend met het begrip onvoorspelbaarheid. Opkijkend van een beduimeld leerboek quantummechanica dacht ik plots een uitweg te zien. Daar waar causaliteit geen ruimte krijgt, kan de leegte worden gevuld met vrije wil.

Later twijfelde ik weer. Bestaat de zogenaamde fundamentele onzekerheid slechts omdat wij de onderliggende orde niet zien? Zijn er, met andere woorden, verborgen variabelen in het spel? Geloof het of niet, maar dit scoort hoog op de lijst van zaken die mij raken.

Soms denk ik dat niet de onvoorspelbaarheid substantieel is, als wel Uw en mijn onwetendheid. Verborgen variabelen zijn immers een niet te ontkennen deel van het leven. Neem nu het puur hypothetische geval dat ik op vijftien opeenvolgende dagen niets van mij laat horen. Er zal allicht een reden voor zijn. Misschien wel meerdere. Maar U tast wat dat betreft in het duister.

Zoekt U het dichter bij huis, en beziet U deze of gene die U liever is dan ik (U vindt hem of haar al snel, ik maak me wat dat betreft geen illusies), dan ervaart U soortgelijks. Niemand kent iemand door en door. Hoe innig de relatie ook.

Een slechte zaak is dit overigens niet noodzakelijkerwijs. Vaak geniet men des te meer van een maaltijd, wanneer men niet weet wat er precies in de keuken is gebeurd.