21 februari 2007

Negen van de tien stukjes die ik het afgelopen half jaar schreef plaatste ik hier met behulp van mijn mobiele telefoon. Via een USB-kabeltje koppelde ik het ding aan mijn laptop, waarna ik nogal ouderwets inbelde om vervolgens de traagste verbinding tot stand te brengen die U zich maar kunt voorstellen. Veel meer dan een tekstje uploaden deed ik niet daar zelfs mijn geduld zo zijn grenzen kent.

De primitieve omstandigheden waarin ik verkeerde – en in welke ik tot op dit moment nog steeds verkeer – hadden alles van doen met mijn zelfverkozen nomadenbestaan, en het is dan ook niet de bedoeling om nu op enigerlei wijze Uw medelijden te wekken. Nee, eerder wil ik mijn fascinatie voor de volgende kwestie met U delen.

In hoeverre is het internet veranderd voor een mens die daar een half jaar lang praktisch van verstoken is geweest? Het antwoord op die vraag zal ik over enkele weken weten daar ik mij zojuist een pijlsnelle ADSL-verbinding heb besteld. Ter indicatie: tot U schrijft iemand die het verschijnsel youtube slechts van naam kent. Ik weet wat het zo ongeveer doet, maar meer ook niet.

En zo zullen er talloos veel nieuwigheden zijn die begrijpelijkerwijs aan mijn aandacht konden ontsnappen, maar die voor U inmiddels gemeengoed zijn. Althans, daar ga ik van uit. Om alvast een voorschot te nemen op de pret die mij te wachten staat wil ik U vragen wat voor U de krenten uit de pap zijn. Waarom is voor U die snelle verbinding noodzakelijk? En, meer ontnuchterend, heb ik überhaupt wel wat gemist?

13 reacties

19 februari 2007

Zondagmiddag prikte ik een oestertje op de Kouter. Nog eens: ik prikte een oestertje op de Kouter! En nog eens. In totaal wel zes keer. Terwijl de zilte glibber naar binnen gleed, dacht ik aan over mijn tong piesende engeltjes. Ja, dit was voorwaar een Gouden Tip.

Dat ik de Rechters niet gevonden heb is niet de enige reden die mij ertoe noopt Gent nóg eens te bezoeken: in deze stad zou ik zo willen wonen.

4 reacties

15 februari 2007

Toen de onderkoster van de Sint-Baafskathedraal te Gent bij het krieken van de elfde april in het jaar onzes Heren 1934 het godshuis binnenliep kon hij onmogelijk bevroeden dat hij bijna 73 jaar later onderwerp zou zijn van de eerste zin enes schrijvens mijn. En toch is het zo. Nu zou deze twijfelachtige eer de kerkbewaarder normaliter nimmer ten deel gevallen zijn, ware het niet dat hij zich op die noodlottige ochtend ongemeen de pleuris schrok.

Zijn aard niettegenstaande, die er een was van voorzichtigheid en ingecalculeerd onheil, want ‘waar Onze-Lieve-Heer een kerk bouwt, zet de duvel een kapelleke’, zoals hij immer placht te zeggen, was onze arme vriend juist die dag blij van zin opgestaan. Hoe dat precies zo kwam laten we even in het midden, maar dat de onderkoster een avond had genoten die met recht pleizierig genoemd mag worden was klip-en-klaar. Zingend ging hij de kerk in.

Eenmaal binnen verstomde hij. Zijn bek, zoals men weleens zegt, viel open, en grootogig staarde de goede man naar het Lam Gods, of liever naar dat wat er aan ontbrak. Het in 1432 door de gebroeders Van Eyck voltooide meesterwerk, dat in de vijf eeuwen van zijn bestaan al zoveel had meegemaakt, bleek niet compleet. Eén van de twaalf panelen – die van de Rechtvaardige Rechters met op de achterkant de grisaille van Johannes de Doper -, was gestolen.

“Amai, amai”, prevelde de kerkbewaarder ontredderd. En veel meer dan dat kwam er ook de rest van die dag niet uit: de arme drommel was volkomen de kluts kwijt. Pas toen hij in de maanden die volgden meerdere afpersingsbrieven ontving bekroop hem een gevoel van verontwaardiging. “Wie haalt het toch in zijn botte kop om zich juist aan het Lam Gods, ‘dat wegneemt de zonden der wereld’, te bezondigen?” Welnu, die onverlaat bleek de Wetterse wisselagent Arseen Goedertier.

Deze effectenmakelaar bekent, op zijn sterfbed, de briefschrijver te zijn geweest. Echter, voordat Goedertier kan zeggen waar het gestolen paneel zich bevindt blaast hij zijn laatste adem uit. Tot op de dag van vandaag zijn de Rechtvaardige Rechters spoorloos.

Rechtvaardige RechtersHet lijkt voorwaar een spannend jongensboek, deze historie, en het zou bijna jammer zijn mocht het paneel ooit gevonden en het verhaal beëindigd worden. Edoch, de kwestie knaagt. Menigeen heeft zich stukgebeten op het raadsel, en er doen inmiddels vele, vele theorieën de ronde, waar U zich zo U wilt zelf in kunt verdiepen.

Waarom vertel ik U dit allemaal? Welnu, ondergetekende is van plan om zich vrijdagochtend vroeg naar Gent te begeven om de plaats delict met eigen ogen te aanschouwen. Uw held zal, met een beetje geluk én Uw hulp, aan alle onzekerheid een eind maken en het paneel tevoorschijn toveren. Uw hulp? Jazeker!

Zoveel vertrouwen heb ik in Uw pienterheid dat ik de Gouden Tip per ommegaande in de reacties verwacht. Zegt U waar ik zoeken moet en ik zal vinden, waarbij ik U uiteraard laat gloriëren (want dáár gaat het me niet om). En mocht U naast het Goud nog Bronzen of Zilveren Tips hebben, die de Rechters weliswaar geen stap nader brengen maar die van een lang weekend Gent een onvergetelijke ervaring maken, dan hoor ik ook die volgaarne. Ik hou U, als wederdienst, op de hoogte.

4 reacties

12 februari 2007

Het is me wat dat ik soms tóch, ondanks alles, zo blij kan zijn met de materiële geneugten des levens. Gewoon: dingen. Nu sprong ik afgelopen weekend wel bijzonder exorbitant uit de band, maar dat het leegkieperen van mijn portemonnee resulteert in zó’n overweldigend, nu nog nazinderend gevoel van welbehagen, doet mij me verwonderd afvragen waarom ik m’n geld niet altijd over de balk smijt.

Op dit moment waan ik me vijf jaar oud, daags na Sinterklaas.

Deze jongen, die niks nodig zegt te hebben, die genoeg heeft aan een hoofd waarin z’n hersens af en toe een beetje kunnen kronkelen – héb ik al! -, die nota bene al eens ten onrechte voor gereformeerd is uitgemaakt, voelt plots de jubel door zijn aderen stromen nu hij schofterig heeft lopen shoppen. Natuurlijk, ik weet ook wel dat Geluk niet te koop is, maar aan Euforie lijkt gewoon een prijskaartje te hangen.

8 reacties

7 februari 2007

Op het eerste gezicht is het vrij opmerkelijk dat menig droom van symboliek doortrokken is. Ervan uitgaande dat U des nachts de emoties van de dag verwerkt kan men zich afvragen waarom U ze eerst in metaforen giet. Wellicht is juist dit vertalen de aangewezen methode om een en ander geestelijk te verhapstukken, maar zo dat het geval is heeft het weinig zin om Uw allegorisch breiwerkje de volgende ochtend weer te ontrafelen.

De metafoor is mogelijk de ideale uitdrukkingsvorm van het gevoel. In het verlengde hiervan zou men kunnen stellen dat bijvoorbeeld poëzie, over het algemeen ook niet wars van beeldspraak, nimmer interpretatie behoeft, omdat de woordpracht daarmee onvermijdelijk een dimensie ontnomen wordt. Soortgelijks geldt natuurlijk evenzeer voor muziek of beeldende kunst.

Van de overbodigheid van de recensent zult U misschien niet wakker liggen, maar dat ook de psycholoog zijn bestaansrecht heeft te verdedigen geeft toch te denken.

4 reacties

5 februari 2007

Net de eerste paar hoofdstukken van Sándor Márais ‘nieuwste’ (voorzover je dat kunt zeggen van een boek uit 1935) gelezen, en het voelt als thuiskomen. Zijn onmiskenbare, van eenvoud en waarachtigheid doordrenkte stijl en de mij niet geheel onbekende thematiek van De nacht voor de scheiding zorgen ervoor dat de momenten waarop ik in dit werkje verzink als uitermate plezierig bestempeld mogen worden.

Nu is het zo dat Márai voor mij een dermate gloedvolle connotatie heeft dat ik mij afvroeg hoe ik dit boek zou ervaren wanneer de naam van de auteur anders had geluid, of mij niet bekend was geweest. Ofschoon ik de nu volgende hypothese niet echt kan bewijzen denk (en hoop) ik dat ik als lezer in het algemeen dicht genoeg op een tekst zit om die, ongeacht de schrijver, op zijn merites te kunnen beoordelen.

Dat zulks, een kunstwerk op waarde schatten, niet altijd vanzelfsprekend is werd mij eens te meer duidelijk toen ik afgelopen zaterdag een krantenartikel las waarin verslag werd gedaan over de gerezen twijfel omtrent de ‘echtheid’ van een aantal werken van Jackson Pollock. Ik stuitte op de volgende hilarische zin: “De vraag van de authenticiteit is relevant, aangezien een doek van Pollock – No 5, 1948 – onlangs voor 140 miljoen dollar is verkocht.”

Blijkbaar verandert voornoemd schilderij als bij toverslag wanneer uitkomt dat iemand anders ‘m heeft gemaakt! Daar begrijp ik dus niets van. Een grotere ontkenning van de inherente Schoonheid van een kunstwerk is nauwelijks denkbaar. Een doek van Pollock is 140 miljoen waard, maar hetzelfde doek van anonymus is waardeloos. Zoiets is natuurlijk niet recht te praten.

Voor De nacht voor de scheiding heb ik naar ik meen 17 euro 90 neergeteld, en toegegeven, dat zou ik niet zomaar hebben gedaan als Márai mij onbekend was geweest. Wél weet ik dat, mocht ooit blijken dat het boek ‘onecht’ is, ik er niet minder enthousiast over zou zijn. En mijn geld hoef ik ook niet terug. Maar tóch .. toch ben ik erg blij dat het juist Márai is die schrijft wat ik van hem lees.

8 reacties

4 februari 2007

“Als je er niet over vertelt, dan is het niet gebeurd, zo lijkt het wel”, dacht Kruiper, terwijl hij voor de deur van de loods stond met een sleutel in zijn hand. Zijn vaste overtuiging dat ieder verhaal slechts subjectieve interpretatie in plaats van objectieve representatie is had hem er nooit echt toe aangespoord om eens verslag te doen van zijn wederwaardigheden: hij zou de plank altijd misslaan. Nu echter draaide hij het om. Zonder verhaal is er domweg geen ‘werkelijkheid’ – in gedachten zette hij dit woord tussen aanhalingstekens -, en dus kon hij haar nimmer te kort doen.

Kruiper stak de sleutel in het slot, opende de stalen deur en betrad de enorme hal, een schoenendoos van acht meter hoog. Het geluid van zijn voetstappen op de betonvloer weerkaatste in deze verder lege ruimte, totdat hij stilhield voor een zware schuifdeur, die hij met enige kracht opzij duwde. Van hieruit kwam hij in een ander, lager gedeelte van de Fabriek, dat meer een parkeergarage geleek, maar ook daar bleef hij niet lang. Via een zijdeur liep hij een gang door en ging hij de trap op naar boven.

Eenmaal in de kantine gooide hij zijn jas over een stoel. Hij keek naar buiten. Het was donker en stil. Behalve hij was er vermoedelijk niemand op het hele industrieterrein. Hoewel alleen voelde Kruiper zich gek genoeg niet eenzaam. Op de een of andere manier was hij hier, letterlijk buiten de maatschappij, thuis. Maar misschien was het ook wel de tijdelijkheid van de situatie die haar draaglijk maakte, ofschoon hij dat onmogelijk met zekerheid kon zeggen. Je kunt je nooit werkelijk een voorstelling maken van omstandigheden die niet de jouwe zijn, zover was hij inmiddels wel.

Hij draaide zich weer om en liep vanuit de kantine annex keuken naar een vergaderzaaltje waar hij zijn bed had neergezet. Daar opende hij de ramen, zodat het straks fris zou zijn als hij onder de dekens kroop. Dat vond hij prettig.

Via een weidse kantoortuin begaf hij zich vervolgens naar de kamer die ooit de directeur had toebehoord. Hier was Kruiper het liefst. Hij had er zijn boeken uitgestald, en naast een bureau waarachter hij af en toe schreef stond er een gemakkelijke zetel waarin het fijn lezen was. Zijn muziek was er ook. En kaarsjes. Het was er bepaald sfeervol. Hij schonk zich een glas in, ging zitten, klapte zijn laptop open en begon te schrijven, over zichzelf in de derde persoon.

4 reacties