mikzlog
woensdag 25 juli 2007

Zonder aanhalingstekens

Iedere dag duikt U wel een keer in mijn gedachten op. Niet zelden vaker. En eerlijk gezegd kan ik me nauwelijks voorstellen dat deze liefde wederzijds is. Ja, ik heb het tegen U, trouwe lezer, voor het geval U zich niet aangesproken voelt: U, die om de een of andere reden lijkt te willen luisteren, heb ik innig lief.

Als U, of het beeld dat ik van U heb, er niet was, was ik er niet in deze vorm. En inmiddels is het te laat om mezelf te zien zonder mijn schrijven, of zonder U.

Wat ik zeg is niet vrijblijvend, wat ik zeg ben ik.

Het is dan ook slechts uit respect voor U dat ik soms een week of wat mijn mond hou: niemand heeft dagelijks iets zinnigs te zeggen, ook ik niet. Toch is het heel wel mogelijk dat ik volgende week een magistraal stukje schrijf maar het U niet laat lezen. De reden laat zich raden.

Over twee dagen reis ik af naar het zuiden. Gewapend met een opschrijfboekje en factor twintig, doch vast van zins om te genieten van het goede leven, doe ik Frankrijk aan. Het toetsenbord verwissel ik voor wijn en camembert. De ventilator van mijn PC voor een zachte zomerbries.

Nu wéét ik toevallig dat ik juist met een glas wijn in de hand - en zeker in de omstandigheden als boven geschetst - op mijn best ben. Het leek mij dan ook niet meer dan gepast om U daarvan op de hoogte te stellen. De stilte van komende week heeft voor de verandering nou eens niets met ledigheid mijnerzijds te maken.

Idealiter zou U met mij mee reizen en iedere avond aanschuiven om een welvoorziene dis gezamenlijk met vrolijk intelligente gesprekken te larderen. Maar ik begrijp dat U daar geen tijd voor heeft. Als alternatief stel ik voor dat U mij ná mijn vakantie op een fles wijn trakteert. Mits ze goed is, klink ik met U voorzeker het glas.

Als ook dát U teveel is dan rest U niets anders dan wachten op een volgend stukje. Dat kunt U dus hooguit Uzelf kwalijk nemen. Ik beloof U echter dat het het hoe dan ook waard zal zijn.


donderdag 12 juli 2007

The third man

Hij denkt: “Niemand kan gedachtelezen, maar deze gedachte kunt U lezen.” En dat is dus de pest van schrijven in de derde persoon. Het is bij voorbaat niet te geloven. De gedachte is waar, maar degene die haar denkt kan niet bestaan, zodat het geschrevene onmiddellijk wordt gereduceerd tot ‘een verhaaltje’.

Hetzelfde anders gezegd: iedere derde persoon impliceert een eerste. Er is altijd iemand die zegt dat ‘hij’ iets denkt, en die iemand noemt zichzelf ‘ik’. Maar ik kan U nooit vertellen wat een ander denkt (want niemand kan gedachtelezen).

Geloofwaardig schrijven in de derde persoon kan dus strikt genomen niets anders zijn dan een vorm van beschrijven. Hij doet zus, of hij doet zo. Dát kan ik zien. Maar waaróm ie dat doet, I dunno.

Een vrijwel identieke redenering, maar dan met betrekking tot de natuurkunde, komt van Ernst Mach. Meer dan een beschrijving van de wereld zoals die op ons overkomt kan de wetenschap niet leveren. Echt verklaren is er niet bij.

In zekere zin heeft hij gelijk, maar wanneer een theoretisch model alleen op grond van deze kijk verworpen wordt vind ik het maar niks. De Vorstellungen van Ernst Mach staan in schril contrast met de Darstellungen van Heinrich Hertz, die niet bang was om de wereld ‘van binnenuit’ te onderzoeken. Geen gemakkelijke kost, maar uiterst boeiende materie.

Het is nogal een verschil: de een vat de wereld in formules, de ander toetst een verzonnen wereld aan de echte. De essayist versus de literator.

Om alle metafysica mystiek te noemen, zoals Mach deed, omdat wij er tóch niet bij kunnen, gaat mij wat ver. Een mysticus ben ik niet, maar de zuigende werking die uitgaat van ‘de studie van de ultieme realiteit’ kan ik niet ontkennen. En ik geloof warempel dat verhaaltjes ons kunnen helpen om dat gebied te exploreren.

Er is dan ook niks mis met de derde man, waarbij aangetekend dat zelfbescherming in mijn ogen de slechtste reden is om gebruik te maken van de stijlfiguur in kwestie. Juist de schrijver die zich verschuilt achter een derde persoon laat zich kennen. Wat we - en ik zeg dit vooral tegen mezelf - echter niet mogen vergeten is dat een verhaal iets kan zeggen wat niet op een andere manier verwoord kan worden.

Dit wapen mag ik niet laten liggen.


woensdag 4 juli 2007

Tweespalt

Misschien moest ik eens schaven. Het hout zo glad als huid. Tot al het noeste vragen voor strelen is verruild. Fijngevoel en knippertranen ben ik meer dan hoofd, dat verdoofd gelooft in winterwanen en de zomerzin niet uit.

Immer tere woorden vlieden uit een fluistermond, wijl mijn lippen zelf niet spreken, op de Uwe of errond. Ons loomlijvig doch krampachtig samenspel - in strijd met goede zeden maar meer nog met de rede - snákt naar roes en beven opdat alles eens verstomt.

En dan komt het.

Het verliezen van mijn hoofd gaat met een klap gepaard, bonkend rolt ie weg. Het is nooit of nu, eronder of erop: ‘n lijf-aan-lijfgevecht. Maar zonder ogen, want die zitten in mijn kop, zoals bij iedereen. En woordloos verdrinkt mijn lichaam in Uw schoot, allener dan alleen.


maandag 2 juli 2007

Wolkeloos

Penibel, zo zou men de situatie waarin ik mij bevind het best kunnen noemen. Ziet U, om een stukje dat begint met de voorgaande zin tot een goed einde te brengen, terwijl er eigenlijk geen vuiltje aan de lucht is, is lastig. Vandaar.

U lacht om deze absurditeit? Mij dunkt dat het nog erger kan.

Zo zou U bijvoorbeeld kunnen zeggen: “Schrijf zo’n eerste zin dan niet!”, waarop ik U op de onweerlegbare constatering wijs dat ie er nou eenmaal al staat. Kijk maar.

Sterker nog. Van het verhaal van Uw leven heeft U inmiddels óók de eerste zin geschreven, maar in feite, liefste lezer, in feite is er helemaal niets aan de hand.