Zelfgenoegzaamheid is een ander woord voor stilstand, maar dat neemt niet weg dat het soms fijn is om te blijven liggen, je nog eens lekker om te draaien en de slaap te hervatten als was ie nooit geëindigd. Je kunt je afvragen of het überhaupt wel zin heeft om ooit over de bedrand te kijken, maar vraag mij dit niet, want ik weet niet beter: het moet! Zelfgenoegzaamheid is een zonde die wij allen begaan. Je wordt er oud van.
Men kijke dus verder dan zijn neus lang is. En lig je toch al in bed, waarom dan niet een boek lezen dat je de ogen opent? Stel je eigen mening voortdurend ter discussie: bevestigen is zilver, ontkrachten is goud. Ga juist in dialoog met schrijvers die je niet liggen, en blijf op die manier jong. Right. Slechts twee woorden volstaan om mij de mond te snoeren: Arnon Grunberg.
Ook ik word oud.
Aan weerszijden van de smalle pijpenla reikten vitrinekasten, die mij als het ware omarmden, zoals een verre tante haar onwillige neefje. Het leek wel een museum maar het was een winkel, een fotozaak. Verschoten toestellen stonden er te kijk, in alle soorten en maten, maar geen één digitaal. Tussen de camera’s verhieven zich kleine piramides van zes fotorolletjes elk, netjes gestapeld: een ’speels’ accent. Het rook er muf.
Ik liep naar achteren, en vond daar het oudste vrouwtje dat ik ooit zag, krom en breekbaar. Uit een verwilderd bos van grijze haren zag ik twee kraaloogjes mij zien. “Wat kan ik voor U doen?”, vroeg het anachronisme. “Ik wilde graag pasfoto’s laten maken, mevrouw.” Het bocheltje knikte, en verzocht mij om even te wachten. Ze was bijna dood, maar had alle tijd. Ik glimlachte.
Een jong meisje rekende af. Acht vijfennegentig voor vier foto’s zonder lach, vereeuwigd ongemak. Ik ving een glimp, en zag gelijkenis. Het besje, wier linkerhand groezelig omzwachteld was, gaf wisselgeld aan de jonge knop, die vervolgens gehaast de winkel verliet, weg van de tombe, terug ‘het leven’ in.
De mummie ging mij voor naar een peeskamertje. Een enorm toestel op statief hield daar alles in de gaten, als was het haar souteneur. Het oudje verschool zich achter zijn rug. Ik deed mijn jas uit, en ging behoedzaam zitten, maar wist niet goed hoe ik kijken moest. De pooier knipoogde, en toen was het al gedaan. Ik trok mijn jas weer aan.
Terug bij de kassa bekeek ik het gezicht op de foto’s, die ik van het vrouwtje kreeg, en vroeg me af van wie het was. Ik herkende mij niet. De kraaloogjes vertelden me woordloos dat de camera niet liegt. “Pas op met dat gezicht, jongen. Het is een open boek, maar eenvoudig mis te duiden.” Ik betaalde voor de les en ging naar buiten, vast van plan om voortaan gewoon te zeggen waar het op staat.
Het liefdesspel kent geen regels. Hij die volgens het boekje mint, bedrijft de liefde niet. Een gevoelsmens als U hoef ik dat natuurlijk niet te vertellen, maar U is ouderwets, nietwaar? De moderne mens evenwel, hij denkt te veel en praat te weinig. Hoe anders valt al die zelfhulp te verklaren?
Wie twijfelt aan de ware liefde moet zich afvragen of het hem goed zou doen indien ze bestaat. Is dat het geval, dan gelove men erin.
Al enige dagen worstel ik met deze redenering. Vervang ‘de ware liefde’ voor ‘God’, en menigeen zal de stelling minder snel beamen. Waarheid weegt immers zwaarder dan geluk. Is dat terecht? Welnu, als de zegeningen des hemels zich in de vorm van appelwangetjes openbaren, dan is mijn antwoord neen, Mijnheer!
Glazige ogen in een ook verder vrijwel uitdrukkingsloos gezicht, het vel strak over de schedel gespannen, de kruin een dorre vlakte waarop het vaalblonde haar niet echt meer groeien wil, jukbeenderen die bijna door de huid heen prikken, de wangen ingevallen: deze man heeft een voorschot op de dood genomen, hoewel hij nog geen twee jaar ouder is dan ik. Hij zit tegenover me, en is mijn baas.
Uit het kleine hoofd komen grote woorden gevallen, die vervolgens bewegingloos op tafel blijven liggen. Over de crisis en meer wat mij niet interesseert. Dat er barre tijden komen, voor iedereen, en dus ook voor mij. De monotone cadans verdooft mijn zintuigen, en mijn gedachten dwalen af. Zou iemand zo humorloos en seksloos als hij (hooguit zijn lachje is stijf) überhaupt wel weten wat passie is?
Ik ken hem niet.
Hij kent mij evenmin, natuurlijk, maar hij is wel degene die mij beoordeelt, die mij weegt en te licht bevindt. Hij verhoogt mijn salaris niet. Het bevreemdt me meer dan dat het me verontrust, deze gang van zaken, zo is het immers altijd al geweest. Ook ik loop niet te koop met mijn gevoel, laat staan dat hij ervoor betaalt. Net als hij ben ik deel van het systeem, een niksje in een ongrijpbaar geheel.
Zomaar opeens geef ik me over aan een dagdroom van een nacht met mijn muze, in schril contrast met het geneuzel van mijn baas. Terwijl hij het heeft over Key Performance Indicators, vrij ik met mijn godin. De situatie is dermate absurd, dat ik het uitproest. Mijn slappe lach legt hem het zwijgen op.
Ook voor volgend jaar voorzie ik een loonstop.
Wakker zie ik haar diep in slaap, het meisje in de vrouw, ver weg naast me. Haar rust vaart in mij en ontroert. Mijn keel brokt, in het zicht van haar stille ademtocht. Om het gezicht dat ik net nog strelen mocht. Ze is mijn alles, om alles wat ze is: deel van mij, geheel van mij. Vrijpartij.
Ik leef in tweezaamheid. Haar denken omstrengelt het mijne en andersom. Alleen, dit moment kan ik niet delen: wanneer ik waak over haar slaap, en bijkans stik van liefde. Hier ligt ze, buiten de tijd gekruld, haar wezen in een waas gehuld, en toch raakt ze me nu haast meer dan ooit.
Stomdronken van geluk buig ik me naar haar toe, mijn lippen naast haar wang, maar kussen durf ik niet. Ik ruik aan haar. Mijn longen vullen zich met meisjeslucht, mijn meisjeslucht, en ik voel de duizel komen. Is het verboden wat ik doe? Misschien, misschien ook niet.
Er is hoe dan ook niemand die mij ziet.
Het wonder van het losse olifantje
Er was eens … een filosoof. Deze man, bebrild en bebaard, schiep er een duivels genoegen in om zijn ideeën met verhalen te omkleden. Duivels? In ieder geval in de ogen van de schrijver, die hij tegen het lijf liep. Die laatste was, in tegenstelling tot de filosoof, juist gewoon om zijn verhalen van ideeën te voorzien.
Het stokpaardje van de filosoof was Dombo, het vliegende olifantje. En de schrijver was de klos. Dit slurfdier, zo vertelde hij de onwillige luisteraar, heeft leren vliegen met een toverveer. Maar weet U wat nou de grap is? Toververen bestaan helemaal niet! Het olifantje kon al vliegen, maar wist het niet.
Filosofie is niets anders dan dit inzicht. U heeft geen toververen nodig om de wereld te begrijpen. U kunt het zelf! Luister naar mij.
De schrijver snoof. Een mooie filosoof bent U! Geen toverveer, maar wel de wijsheid in pacht. Waar haalt U die nou weer vandaan? Mijn veertje is me lief, Mijnheer, en al zou ik zonder kunnen, dan nog wil ik het niet. Zo gezegd sloeg de schrijver snel zijn armen uit, en vloog weg, de filosoof in verbijstering achterlatend.
Schrijven vreet tijd. Aan menig stukje verspijker ik uren, want het is verdorie niet gauw goed. Het is soms om moedeloos van te worden. Mijn goede vriend Jeroen Brouwers - wie ooit zijn ‘Kroniek van een karakter’ las waant zich innig met hem bevriend -, mijn goede vriend Jeroen Brouwers dus, steekt mij op zo’n moment een hart onder de riem:
Over ’stijl’. Het ontwikkelen daarvan duurt jaren en kan alleen ontstaan in rust. Ieder woord moet worden bekeken, gewikt, geproefd, gestreeld, geslagen, geneukt, verworpen, juist als ware het woord een hoer. Je moet hooghartig met woorden omgaan: niet moeten woorden regeren over jou, maar jij moet regeren over de woorden. Het moet voor ieder woord dat je neerschrijft een eer zijn dat het in je proza mag fungeren. Alleen wie zo schrijft, geeft flonker aan iedere zin die hij schrijft.
En zo is het maar net. De prijs is hoog, het kost veel pijn en nog meer moeite, maar uiteindelijk krijg ik ze dan toch precies waar ik ze hebben wil, mijn slavinnen. Vereenzelvig ik mij met de prostituant, dan gaan de woorden voor mij op hun knieën. En dat geeft onherroepelijk een kick.
Voor de goede orde, dit soort macho spierballentaal beperkt zich slechts tot bespiegelingen over mijn getroubleerde relatie met het geschreven woord. In het dagelijks leven gaat het me gelukkig een heel stuk gemakkelijker af. Daar vallen ze althans zonder boe of bah als blokken, de mokkeltjes.
Hij sms’t: “Met lome slagen zwem ik over het vrijwel rimpelloze water van je buik, en duik dan plotsklaps kopje onder. Daar proef ik zilt, en voel ik warmte. De druk op mijn oren neemt toe. Ik worstel, en jij komt boven.” Stilistisch misschien niet heel erg fraai, maar voor een sms’je uit de kunst.
Al zegt hij het zelf.
Pas na het verzenden ziet hij met het karmozijn op de kaken dat de ontvanger, inmiddels even roodbewangd als hij, geheel niet is wie hij voor ogen had.
januari 2009
december 2008
november 2008
oktober 2008
september 2008
augustus 2008
juli 2008
juni 2008
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
oktober 2006
september 2006
augustus 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
december 2005
november 2005
oktober 2005
september 2005
augustus 2005
juli 2005
juni 2005
mei 2005
april 2005
maart 2005
februari 2005
januari 2005
december 2004
november 2004
oktober 2004
september 2004
augustus 2004
juli 2004
juni 2004
mei 2004
april 2004
maart 2004
februari 2004
januari 2004
december 2003
november 2003
oktober 2003
september 2003
augustus 2003
juli 2003
juni 2003
mei 2003
april 2003
maart 2003
februari 2003
januari 2003
december 2002
november 2002
oktober 2002
september 2002
augustus 2002
juli 2002
juni 2002
mike(at)mikz.net