mikzlog
maandag 30 december 2002

Open deur

Bij deze. Het laatste stukje van dit jaar. Ikzelf stap nu reeds over de drempel, en wacht U op aan de andere kant. Let U wel even op het afstapje? U mocht eens struikelen en op Uw gezicht dreigen te belanden. Ik ben namelijk niet zo handig in het opvangen van vallende mensen (om niet te zeggen dat ik daar uiterst selectief in ben).

Het ga U goed het komend jaar.


zaterdag 28 december 2002

Oordeel

Iemand van arrogantie betichten, dát is pas arrogant. Want wie bent U nu helemaal om over een ander te mogen oordelen? Het verhaal wordt vanzelfsprekend anders wanneer U Uzelf, en niet een ander, arrogant noemt. Voor de ene verstaander bent U in dat geval dubbel arrogant wegens eerder genoemde reden, voor de andere ontkracht U op slinkse wijze Uw eigen arrogantie door de rol van relativerende zelfbeschouwer te spelen. In werkelijkheid bent U echter helemaal niet arrogant, maar om dat te kunnen begrijpen, zult U zeggen, dat is voor de rest van de wereld natuurlijk te hoog gegrepen.

Af en toe stuit ik wel eens op mensen die zichzelf het stempel der arrogantie op het voorhoofd menen te moeten drukken. Ik durf zelfs te stellen dat dergelijke personen zich onder mijn exquise lezerspubliek bevinden. Met enige graagte hoor ik hen aan. Ik word immer vervuld van een zekere genegenheid jegens deze figuren, en denk al snel: “Deze mens is helemaal niet arrogant, doch slechts sympathiek.”

Waarna ik mij dan weer afvraag of het ook van arrogantie getuigt wanneer men iemand beticht van het feit dat hij juist niet arrogant is.


dinsdag 24 december 2002

Toubab

Jimpex Road, Serekunda, half 7 ’s ochtends, een week geleden. Het hoofdkwartier van de Gambian Public Transport Corporation lijkt met z’n tientallen buswrakken zonder wielen, deuren, of ramen meer op een autokerkhof dan een busstation. Toch is dit het vertrekpunt vanwaar men met het openbaar vervoer het binnenland in gaat.

Een veiligheidsbeambte groet: “Hello, how are you?”
“I’m fine, thank you. How are you?”
“Fine, thank you. So, is this the first time in the Gambia?”
“It’s the first time, yes.”
“You like it here?”
“Oh yes, I like it very much.”
“Where are you from?”
“From Holland.”
“Ah, Holland, that’s nice. So, what’s it like in Holland?”
“It’s very cold up there. It’s like living in a fridge.”

Gesprekken als deze worden tientallen keren per dag gevoerd in Gambia, en vormen normaalgesproken de inleiding tot business. De Westerling, die blank is en dus rijk geacht wordt, krijgt in de loop van het gesprek ofwel prullaria te koop aangeboden, of de diensten van de betreffende Gambiaan als tourguide. Een enkele maal ontaardt de dialoog in een treurig levensverhaal waar genoemde Westerling toch zeker wel een paar Dalasi voor over zal hebben. Het is een spel. En het is de kunst dit spel met humor en elegantie te spelen. Dat ik geen behoefte heb aan prullaria, dat de Lonely Planet mijn tourguide is, en dat ik niets geloof van de soms werkelijk originele verhalen, wordt de Gambiaan uiteindelijk wel duidelijk. Maar de vriendelijkheid blijft. Lachend wordt er afscheid genomen.

Op het busstation is het anders. De beambte werkt daar immers, en zit er niet voor business. Het gesprek is gewoon zomaar, om de tijd te doden. De bus van 7 uur zal die dag niet vertrekken, vertelt hij. Die bus is kapot. Vandaag rijdt er maar één bus naar het oosten. Die komt misschien over een uurtje.

Uiteindelijk vertrekt een grote, blauw-witte bus, die waarschijnlijk zo’n 30 jaar terug zijn dienstrooster in Duitsland reed, om half tien vanaf het GPTC station. Onderweg blijkt waarom het inderdaad niet zo eenvoudig is om per fiets richting Georgetown te gaan. De kwaliteit van de weg neemt met de kilometer af. Anders dan de door Koeweit gesponsorde asfaltwegen in het westen van het land, waar het overigens inderdaad heerlijk fietsen is, is deze weg deels onverhard, vol gaten en wordt hij vrijwel alleen door Jeeps en grote bussen getrotseerd.

Verder in het binnenland neemt de armoede toe, evenals de vriendelijkheid en gastvrijheid, hetgeen een universele wet schijnt te zijn, daar ik dit fenomeen ook in andere landen tegenkwam.

“Toubab! toubab!”, is wat hordes kinderen iedere blanke, en dus ook mij, lachend naschreeuwen. Op te vatten als Geuzennaam, het aantal blanken wordt meer oostelijk immers schaarser.

Bij Kwinella wordt de bus verlaten, waarna per paardenkar Tendaba bereikt wordt. Alweer een plek die geliefd is bij ornithologen. Gambia kent honderden vogelsoorten, en om die reden reizen nogal wat birdwatchers af naar dit land, gewapend met verrekijkers, camera’s en onbetaalbare telescooplenzen. Met verbazing bekijk ik deze vreemde vogels die volkomen opgaan in hun hobby.

Gambia is een prachtig land. De sfeer is ontspannen, en dat deed me goed. U kunt weer gerust ademhalen naast Uw kerstboom. Ik ben terug. In de koelkast. Maar opgewarmd van binnen.


vrijdag 6 december 2002

Ga toch fietsen

Ik heb goed nieuws voor U! De komende weken zal ik U niet langer vermoeien met stukjes van mijn hand (mits U deze zin op de juiste wijze leest, weet U dat hier geen vingers bedoeld worden). Niet alleen U maar ook Nederland keer ik de rug toe. Ik ben er even niet.

Op de fiets zal ik mij begeven langs onderstaande kronkelige rivier in een land aan de westkust van Afrika. Als U goed kijkt ziet U mij misschien wel op het kaartje.

Mocht ik zo tegen het eind van het jaar nog altijd niets van mij hebben laten horen dan verwacht ik van U minstens een grootschalige zoekactie in betreffend gebied. Van deze vorm van sociale controle wens ik bij voorbaat gebruik te maken, en ik reken wat dit betreft dan ook op U.

In de tussentijd staat het U natuurlijk vrij in de archieven van mikzlog te duiken, en het een en ander te (her)lezen. Vrijwel alles wat daar te vinden is, is nog even fris als bij eerste verschijning en heeft geen houdbaarheidsdatum. Is dus met andere woorden zo tijdloos als een defect horloge.

In de verwachting dat de combinatie van een reis in onbekend gebied en de blootstelling van mijn frisgeknipte schedel aan de ook U welbekende koperen ploert mij meer dan goed zal doen, wens ik U vanaf deze plek het beste. U redt het wel zonder mij. Hopelijk tot weerziens.


maandag 2 december 2002

Hergé versus Seurat

De oplettende lezer zal een zekere thematiek in dit log niet ontgaan zijn. Het begint mij nota bene nu zelf ook op te vallen. Daar is verder natuurlijk niets mis mee, het zegt wellicht meer over mij dan dat ik U in enkele eenvoudige zinnen had kunnen vertellen. Welnu, vervolgen wij met deel zoveel van dit verhaal.

Als kleine jongen was ik verslingerd aan Kuifje. Ik verslond de verhalen, en had een diepe bewondering voor de maker van de tekeningen. Als exponent van de Frans-Belgische stroming striptekenaars die de Klare Lijn predikten, kleurde Hergé niet alleen albums doch ook mijn wereldbeeld.

Als kleine jongen geloofde ik in een eenvoudig te verklaren wereld. Een wereld met Klare Lijnen. Het verhaal van het leven zou in pakweg 50 bladzijden te vangen moeten zijn, met zorgvuldig getekende figuren en weloverwogen kleuren. Later besefte ik, zo U inmiddels weet, dat de wereld zich niet met Klare Lijnen laat duiden.

Het leven laat zich eerder verklaren door middel van een uitwerking van details, die als je geluk hebt tezamen een groter geheel laten zien. En dat alléén als er voldoende afstand wordt genomen. Honderdduizend verhalen over één en dezelfde persoon, telkens met een andere invalshoek, portretteren een mens getrouwer dan een met Klare Lijnen getekend beeld.

Het doet denken aan het Pointillisme, waar de schilder door middel van een schier oneindig aantal punten zijn beeld van de wereld vorm geeft. De Pointillist begint bij het detail, en komt later pas tot het geheel.

Dat is wellicht de beste aanpak. Zo schrijf ik verdorie tot nu toe ook dit log vol.

Alleen, het werk van Seurat doet me niet zoveel. Als kleine jongen niet, en nu nog steeds niet.