Dat je soms tegen jezelf zegt: “Jongen, je lult.”

Heeft U dat nu ook wel eens?

(..)

Of preek ik wellicht in de woestijn?

7 reacties

Soms kan ik mij vermaken met de gedachte dat U op zeker moment mogelijk hetzelfde aan het doen bent als ik. Zelfde tijd, zelfde handeling, andere plaats, om zo te zeggen.

Het zal welzeker ooit voorgekomen zijn dat U bijvoorbeeld een boterhammetje smeerde terwijl ik met precies hetzelfde bezig was. Of dat U niet de enige was bij wie de tranen in de ogen sprongen omdat U Uw hoofd aan een openstaand keukenkastdeurtje stootte. Of dat wij simultaan ergens op het grote boze internet eenzelfde postje lazen. Dat ik aan U dacht en U aan mij. U kunt ongetwijfeld nog wel andere exempelen verzinnen. Wellicht was U ooit bezig met zaken die het daglicht niet kunnen verdragen, terwijl ook ik .. nu ja, dit laatste is eigenlijk een slecht voorbeeld, daar ik zulks natuurlijk nooit doe. Daarin staat U dus alleen.

Minder grappig wordt het wanneer deze gelijktijdigheid niet min of meer alledaagse handelingen betreft, doch gewichtiger zaken. U heeft misschien wel eens gehoord van de slepende en slopende strijd die de twee wiskundige giganten Newton en Leibniz met elkaar voerden. Ergens in de zeventiende eeuw ontwikkelden zij onafhankelijk van elkaar de differentiaal- en integraalrekening. Het was vanzelfsprekend de eer van beiden te na om de ander een veer tussen de billen te prikken. In plaats daarvan werd er wederzijds van plagiaat beticht.

Toch is het gegeven dat twee mensen op hetzelfde moment en volledig onafhankelijk van elkaar iets nieuws bedenken verre van denkbeeldig. De geschiedenis kent wel meer voorbeelden. Ideeën plegen namelijk in de lucht te hangen. Ze worden door de met enige serendipiteit begiftigde mens zomaar geplukt. En die mens hoeft natuurlijk helemaal niet uniek te zijn.

De gedachte dat ideeën als een soort golven de ether doorkruisen deed mij enige tijd geleden grijpen naar soldeerbout en printplaat. Het is immers domweg een kwestie de juiste ontvanger te bouwen, waarna men na het instellen van de correcte frequentie de vernieuwende gedachten door een luidsprekertje kan horen klinken. Ik wil er even vanaf zijn wie deze ideeën nu uitzendt, misschien heeft U daar zelf wel enige denkbeelden over.

Waarom vertel ik U dit nu, terwijl ik nog niet eens klaar ben met het bouwen van mijn radiootje? Welnu, ik ben als de dood dat er op dit moment ook iemand anders bezig is met precies hetzelfde, en wilde daarom bij deze mijn oorspronkelijkheid even veilig stellen. Dat U in ieder geval maar weet dat ik de eerste ben.

Ik mag hopen dat dergelijke conflicten over het al dan niet de eerste zijn na mijn uitvinding definitief tot het verleden behoren.

11 reacties

Het is maar goed dat vrijwel niemand mij ooit iets écht persoonlijks durft te vragen. Intieme kwesties voorgelegd krijgen, wat een ramp is dat. Niet alleen het beantwoorden van vragen van dergelijke aard maar meer nog de eraan voorafgaande keuze óf ik ze al dan niet beantwoorden zal kost hoofdbrekens waar ik natuurlijk niet heel erg op te wachten zit.

Van de andere kant bewonder ik de moed van degeen die wél vraagt, aangezien ik natuurlijk altijd tot de slotsom kan komen dat zij, om hier volkomen toevallig maar eens een vrouwelijk persoonlijk voornaamwoord te gebruiken, het antwoord niet waard is. Ik zou haar zogezegd zomaar in haar hemd kunnen laten staan.

Bij nader inzien verheugt het mij dan ook zeer dat ‘vrijwel niemand’ niet ‘niemand’ is, en dat er mensen bestaan die mij zo af en toe voor zo’n dilemma durven plaatsen. Het zou anders immers maar een dooie boel zijn.

3 reacties

Naast de verborgen variant die U nu leest, heb ik natuurlijk ook een gewone agenda. Die laatste wist mij te vertellen dat vandaag de gedenkwaardige dag zou zijn waarop de vervolgafspraak met mijn tandarts werkelijkheid zou worden. Nu is een gewone afspraak met de bekkenbeul enige nervositeit niet waard, maar zoals gezegd, ik werd een tijdje geleden vervolgd. Met wat moeite en een röntgenfoto had de man toenmaals een gaatje weten te ontdekken, en wel tussen twee kiezen. Aangezien zijn agenda overvol was, had hij mij niet onvriendelijk gevraagd of ik akkoord ging met de afspraak om het klusje op een zaterdag te klaren. Ik stemde in.

Nu moet U weten dat een tandarts mij eigenlijk nooit veel angst heeft ingeboezemd. Als kind bezocht ik een figuur die lokaal bekend stond als de slager, maar ik had vooral moeite mijn lachen in te houden wanneer ik de met bange blikken gevulde wachtkamer betrad. Ook de muffe orthodontist die mij in mijn vroege tienerjaren in een sociaal isolement probeerde te plaatsen heb ik vergeven. De herinnering aan de experimentele constructies die hij in mijn mond aanbracht ben ik, een onschuldige nachtmerrie op z’n tijd daargelaten, volledig kwijt.

Een en ander veranderde toen ik aan het verhuizen sloeg en in enige jaren tijd minstens zoveel tandartsen versleet. Daartussen zat ook een bijzonder moedige stagiair. Moedig omdat deze jongeman het in zijn hoofd haalde om ‘even tussendoor’ een mijner verstandskiezen te trekken. In details hoef ik wellicht niet te treden, U zult van mij aannemen dat de totale wanhoop in het gezicht van de jongen toen hij na drie kwartier vruchteloos wrikken per ongeluk een stuk kaakbeen afbrak een verpletterende indruk op mij heeft gemaakt.

Mijn huidige tandarts ken ik eigenlijk pas kort. Het is een beer van een vent met enorme handen en een bulderende lach. Ofschoon zijn opgeruimde vriendelijkheid anders doet vermoeden, was ik vandaag, mede door eerder genoemde ervaring, bedacht op een martelgang. Ook het gaatje tussen twee kiezen vond ik verdacht. Dat moest bij het boren wel een ravage gaan geven.

Mijn tandarts verwelkomt mij met ferme handdruk, onbenullige grap en harde lach. Liggend in de stoel word ik echter getroffen door de tederheid die deze kolossale man aan de dag weet te leggen. Uiterst voorzichtig en precies gaat hij aan de slag met wigjes, boortjes en klemmetjes, mij er zonder meer van overtuigend dat ik hier met een kunstenaar van doen heb. Na een pijnloos kwartier ziet hij er geen gat meer in, en vertelt hij mij dat het gedaan is. Mijn complimenten voor zijn werkwijze worden door een immense hand weggewuifd, maar door goedmoedige ogen in dank aanvaard.

Het beeld van de tandarts als wreedaard is nu definitief gewist. Er is geen verborgen agenda in het spel, en nu ik erop terugkijk vraag ik me af hoe ik zulks ooit wel heb kunnen denken.

3 reacties

U weet inmiddels dat ik normaalgesproken bijzonder veel tussen de regels door zeg.

Maar vandaag is dat wel extra veel.

11 reacties

Je staat er soms van te kijken wat een mens allemaal met de tong teweeg kan brengen. Wellicht bent U ook zo iemand die met enige regelmaat het puntje van dit orgaan laat trillen. Meer specifiek wanneer U de r uitspreekt.

Zo af en toe wordt mij aarzelend gevraagd of ik bekend ben met het gevoel ‘ontzag’. Men houdt het namelijk meestal niet voor mogelijk dat een in alle opzichten bewonderenswaardig persoon als ikzelf ook weleens tegen een ander zou kunnen opkijken. Welnu, ik adoreer de mens die de r met trillende tongpunt uitspreekt.

U is ongetwijfeld bekend met de verschillende soorten r die men her en der gebruikt dan wel misbruikt. Zo is er de huig-r, waarbij er ergens achter in de mond het een en ander in trilling wordt gebracht, de tongpunt-r, die feitelijk voor zich spreekt, en de Gooise r, een soort van r voor mensen die eigenlijk moeite met deze letter hebben. Hoewel mijn r niet bepaald van het type kinderen-voor-kinderen is, ben ik bang dat het toch een compromis-r betreft.

Woorden uitgesproken met een Gooise r of diezelfde woorden uitgesproken met een tongpunt-r zijn, zo U wellicht weet, allofoon, dat wil zeggen slechts in klank maar niet in betekenis verschillend. Desalniettemin bekruipt mij in het algemeen een heel apart gevoel wanneer ik de r onvervalst hoor rollen. Kippenvel krijg ik er zelfs van, bij vlagen.

Mijn vermoeden is dat de echte rollende r langzaam terrein verliest aan de compromis-r in welke vorm dan ook. Ik kan dit echter niet staven, daarvoor ontbreken mij verdere gegevens. Benieuwd ben ik wel naar de aanwezigheid van tongpunt-r-sprekenden onder mijn lezerspubliek, tegelijkertijd beseffend dat daarmee natuurlijk geen wetenschappelijke uitspraak gedaan kan worden. Daarvoor bent U met z’n tienen met wat al te weinig, als U überhaupt al zou willen antwoorden op deze vraag. Niettemin verdenk ik een enkeling van U er bij voorbaat al van de tong te kunnen laten trillen, gezien de bewondering die ik soms wel degelijk voel maar vooralsnog niet wist te duiden.

De frustratie over mijn eigen r doet mij oefenen. Vaak en veel. Ik ben begonnen met het woord ‘brood’, en ben daar overigens nog steeds blijven steken. Wanneer men de r in ‘brood’ vervangt door een d, en het woord ‘bdood’ vervolgens maar vaak en snel genoeg uitspreekt dan komt men ergens in de buurt van een tongpunt-r, zo dacht ik. Ik overtuig mezelf echter nog steeds niet, en vraag mij wel eens af of dit wel de geëigende methode is. Misschien heb ik het wel helemaal fout.

Nu ja, heeft U tips voor tongtechnieken, ze zijn meer dan welkom.

Meestal twijfel ik niet aan het adagium dat zegt dat ik nooit te oud ben om te leren, doch dit specifieke voorbeeld mag hierbij dan tenminste een kanttekening zijn.

35 reacties

Stelt U zich eens iets heel erg vertederends voor, en daarna iets dat nog vertederender is. Gedaan? U zit inmiddels op een behoorlijk tandglazuurbeschadigend c.q. mierzoet niveau. Nóg tweemaal vertederender dan dat is de aanblik van jonge konijntjes. Nietwaar?

Vind ik wel.

Zo was er eens een jongetje dat konijntjes hield. In een hok. In de tuin. Het jongetje zal een jaar of tien, elf zijn geweest, en overtrof de pasgeboren konijntjes bijkans in schattigheid. Iedere dag fietste hij zo hard hij kon van school naar huis, ging op zijn knieën voor het hok zitten, opende het deurtje en gaf de beestjes te eten. Aaide de jonkies voorzichtig, en zuchtte van gelukzaligheid. Het werk dat hem ’s avonds wachtte voelde niet half zo zwaar als in werkelijkheid, althans wanneer hij maar aan z’n konijntjes dacht.

Tot hij op een kwade dag thuiskwam en het hok open vond. Het was overduidelijk dat het bloed rond de bek van de kat die schielijk wegsloop niet van het beest zelf was.

Het duurde twee dagen voordat de jongen de kat de schuur in zag gaan. Hij volgde, en trok de deur achter zich dicht. De schep die de jongen van de muur pakte kon hij normaalgesproken bijna niet tillen, maar daar merkte hij nu vreemd genoeg niets van.

De kat kon geen kant meer op.

Dat dit jongetje het later nog eens tot mijn vader zou schoppen interesseert U misschien niet, maar juist dat gegeven maakt dit verhaal voor mij bijzonder.

6 reacties

Nog 366 nachtjes slapen en dan ben ik jarig!

11 reacties