mikzlog
vrijdag 30 januari 2004

Keivaag

Ben ik weer eens lekker aan het lezen in de Van Dale, inmiddels bij de letter g, valt mijn oog op het volgende.

grind (het ~)
1 de kleine keitjes (2-64 mm) die in grote hoeveelheden in diluviale gronden en op de bodem van rivieren worden aangetroffen => kiezel

En dan vraag ik me dus af hoe men kleine keitjes van 65 mm wel niet noemt. Om vervolgens in de gedachte te blijven hangen dat kleine keitjes van 64,0 ± 0,1 mm verder geen naam kunnen hebben. Misschien is het grind, maar zeker weten doe je dat dus nooit.


donderdag 29 januari 2004

Slag om de arm

Toen ik, ooit, bekend gemaakt werd met het concept meetonzekerheid was ik geboeid. Geen mens meet foutloos, en het is fijn te weten hoe daarmee om te gaan. Geruststellend ook om op de hoogte te zijn van de wijze waarop een theoretisch model netjes getoetst kan worden aan per definitie slordige metingen uit de praktijk.

Met de meetonzekerheid wordt, zo U weet, de spreiding aangegeven van de waarden die toegewezen kunnen worden aan het gemetene. De meetfout wordt gekwantificeerd, en dat is prettig. Zo biedt ‘100,0 ± 0,2 cm’ aanzienlijk meer houvast dan ‘een meter’.

In het dagelijks leven is het getal echter ver te zoeken, en wordt onzekerheid zelden ingecalculeerd. Maar dat laatste is niet altijd het geval. Vroeger had ik de neiging, en ook nu kan ik die soms niet onderdrukken, om bij het verwoorden van een bepaalde gedachte te beginnen met: “Misschien is het wel zo dat …”

Ik ben er wel eens meer op gewezen dat ik de woorden ‘misschien’, ‘wellicht’ en ‘mogelijk’ veel en vaak misbruik. Het is wat vergezocht om dit gedrag te willen koppelen aan een diepgeworteld besef van het concept meetonzekerheid, maar van die mogelijkheid maak ik niettemin dankbaar gebruik.

Men mocht namelijk eens gaan denken dat ik onzeker ben.


woensdag 28 januari 2004

Bij de pakken neer

“Maar hoe pak ik het aan?”
“De risico’s bepalen de aanpak, Mijnheer. Denk aan wat er fout kan gaan en handel daarnaar.”
“Laat mij raden. Dit heeft U zeker tijdens een van die beruchte cursussen van U geleerd?”
“Inderdaad.”
“Maar in dit geval kan er niks fout gaan. En dus is aanpakken helemaal niet mogelijk.”
“U bent een optimist, Mijnheer. Dát is Uw probleem.”


maandag 26 januari 2004

Ongekend

Uiteindelijk wil een mens gekend worden, nietwaar? In de eerste plaats door zichzelf, maar als het even kan ook door een ander. Waarom anders deze moeite getroost? U dacht toch zeker niet dat ik al die tijd maar een beetje in het wilde weg aan het schrijven was?

En ik ben niet de enige, moet U weten. Talloos zijn degenen die zichzelf net als ik binnenstebuiten proberen te schrijven. Het gekend willen worden is een hogelijk onderschatte drijvende kracht in deze wereld. Men zegt weleens dat de mens een sociaal wezen is. Maar als voornoemde neiging ontbreekt blijft daar natuurlijk maar bitter weinig van over.

Is alle moeite echter niet vergeefs? Al wat U immers krijgt zijn slechts de beelden die ik U laat zien. Afspiegelingen van het beeld dat ik van mezelf heb. En ik bén mijn zelfbeeld niet eens. Ik ben ik.

Mijn zelfbeeld zou per ongeluk weleens volkomen uit de lucht gegrepen kunnen zijn. En om de vinger nu eens echt op de zere plek te leggen, als ik mijzelf niet ken kan ik mij al schrijvenderwijs ook nooit laten kennen.

Of toch wel?

Ik vraag het mij wel eens af. Denkt U mij te kennen, of prikt U nergens doorheen?


donderdag 22 januari 2004

Hoogmoed

Nee, een gids hebben we niet nodig, mompelde ik nog. Ik red me al m’n leven lang zonder gids. Waarom zou dat nu opeens anders zijn? Het was ergens eind vorige eeuw toen mij deze gedachte, even naïef als dom, door het hoofd schoot om die uiteindelijk via de mond te verlaten.

De Toubkal is de hoogste berg van Noord-Afrika en niet alleen daarom het beklimmen waard. Nog altijd staat mij de stille pracht bij van de wandeling naar de laatste rustplaats voor de top. Vroeg in de avond bereikten we getweeën het kamp, waar we onze slaapzakken uitrolden. We keken nog eenmaal omhoog, naar de plek vanwaar we de volgende dag omlaag hoopten te kijken, en lieten ons vervolgens vol vertrouwen in een diepe slaap vallen.

Gewekt door de kou van de ochtend was het aankleden een kwestie van seconden. Het enthousiasme voor het vervolg van de expeditie kwam vervolgens even snel op als de waterige zon. Bevrijd van de rugzakken, die we in het kamp konden laten staan, leek het laatste stuk van de klim iets wat het midden hield tussen peuleschil en eitje.

Dat de kortste weg niet altijd de snelste is, laat staan de snuggerste, is mij die dag meer dan ooit duidelijk geworden. We waren al een aantal uren onderweg toen, halverwege de denkbeeldige rechte lijn tussen kamp en top, de berg ineens te steil bleek om zonder touw en haken bedwongen te worden. Erger nog, achteromkijkend bleek de weg die we hadden afgelegd ook al veel meer verticaal dan horizontaal te zijn geweest. Afdalen was levensgevaarlijk, zeker gezien het aanwezige grind en ijs waarover we al die tijd moeizaam geklauterd hadden.

Staand op een smalle richel probeerden we de kalmte te bewaren. Dit lukte min of meer, tot het moment dat het halve-liter waterflesje, dat ik aan mijn broek had bevestigd, losliet en honderden meters naar beneden stuiterde, een grijsgruizende grindlawine veroorzakend. Met het waterflesje verloor ik ook mijn kalmte. Ik was er van overtuigd dat dit het einde was.

Terwijl de koude wind de paniektranen op mijn wangen bevroor daalden we voetje voor voetje en met hart in de keel af. Daar iedere misstap fataal kon zijn verliep deze zenuwslopende tocht aanzienlijk langzamer dan de klim. Maar we stapten niet mis.

Uitgeput bereikten we het kamp weer, waar we werden opgevangen door twee jongens die ons al een tijdje in de gaten hadden gehouden, of althans de twee stipjes op de steile bergwand die we voor hen waren. Ze maakten ons duidelijk, in vloeiend Berber en gebrekkig Frans, dat de weg naar de top veel gemakkelijker is dan de weg die wij gekozen hadden, en stelden voor om ons alsnog omhoog te gidsen. Het leven omhelzend als ook teleurgesteld de top niet te hebben bereikt stemden we in. De niet voor de hand liggende route waarlangs zij ons vervolgens leidden was inderdaad tot helemaal bovenaan beloopbaar.

Gelukzalig was het gevoel dat me bekroop toen ik bovenop de Toubkal met de schoenen in de sneeuw aan de horizon de Sahara zag liggen. Mijn lief aan mijn zij.

Onvoorstelbaar dat je dan jaren later nog eens zit te mekkeren over een barstje in de muur. Of misschien is dat bij nader inzien juist wel weer heel erg voorstelbaar.


dinsdag 20 januari 2004

Mag het licht aan?

Van mijn eigen sterfelijkheid heb ik eigenlijk nooit echt wakker gelegen. Dood gaat iedereen, en in dat opzicht wil ik geen spelbreker zijn. Ook ben ik niet bang voor het moment dat ik het leven laten zal. Ik merk het vanzelf wel.

Opvallend is dan ook het feit dat ik de afgelopen week een of twee momenten heb gekend waarop ik iets voelde dat een ander misschien als ‘angst’ betitelen zou. Zomaar. Vanuit het niets was daar het onbehagen bij de gedachte dat ooit het licht uit zal gaan.

Ik probeerde een verklaring te vinden voor die angst, en veronderstelde dat het misschien iets met ouder worden te maken had. Het idee dat een aantal dingen nodig gedaan moeten worden voor het te laat is. Wat die ‘dingen’ dan ook mogen zijn.

Later verwierp ik die veronderstelling. Een midlife-crisis is aan de jonge god die ik ben natuurlijk niet besteed.

Toch zit er in de muur van nonchalance nu wel degelijk een minuscuul barstje waar de angst doorheen sijpelt. Ik heb er mijn vinger opgelegd, en dat wil nog wel helpen. Het stelpt in ieder geval.

Maar ik ben als de dood dat het barstje een barst wordt.


maandag 19 januari 2004

Zelfverheerlijking

Ik heb wel eens gehoord dat het niet netjes is om een eerste zin met ‘ik’ te beginnen. Zulks doe ik dan ook vrijwel nooit, al is het alleen maar omdat ik een nette jongen ben. Nu las ik onlangs ergens dat het gebruik van de eerste persoon enkelvoud in een schrijven überhaupt niet meer van deze tijd is. De ik-vorm duidt op ijdelheid. En mogelijk zelfs op een gebrek aan respect voor de lezer.

Over mijn ijdelheid wil ik verder geen uitspraken doen, maar dat ik U hoog acht, daar bestaat geen twijfel over.

Toch knaagt zoiets, en daarom wilde ik mijn respect voor U eens wat meer in getal vangen. In een poging de waarheid bloot te leggen, zogezegd. En dus ben ik al mijn stukjes nagelopen op zoek naar de lettercombinatie ‘ik’, of eigenlijk ‘ ik ‘ (door spaties omgeven). Ik heb geturfd, en wat blijkt? Maar liefst negenhonderd tweeënnegentig keer heb ik ‘ ik ‘ gezegd, het afgelopen anderhalf jaar. Beschamend vaak.

U komt er eigenlijk maar bekaaid af met vijfhonderd achtenzestig keer ‘ U ‘.

Hoe graag ik ook zou willen, echt goed te praten valt dit natuurlijk niet, alhoewel een ik/U verhouding van 1,7 in vergelijking met andere egotrippers nog alleszins acceptabel lijkt. Het is te hopen dat U mij net zo graag ‘ik’ zie zeggen, als dat ik U dat zie doen. Want in tegenstelling tot wat de statistieken U willen doen geloven, ben ik wel degelijk geïnteresseerd in U.

En dan heb ik het nog niet eens over het wij-gevoel.


vrijdag 16 januari 2004

Behoudend

Kosmisch gezien blijft alles zo ongeveer hetzelfde. De aarde draait haar rondjes, en doet dat al zo’n vijf miljard jaar.

Wanneer men vanuit dat perspectief inzoomt op een mens gaat er een wereld open. Veranderingen zijn schering en inslag. Zonder daar verder op in te gaan kunt U denken aan wijzigingen in iemands directe omgeving of op hoogstpersoonlijk vlak. Ligt het aan mij of is de hang naar behoud van alles-zoals-het-is universeel? Ofschoon het woord conservatief voor mij zelfs een negatieve klank heeft, zijn de drempels op de weg naar nieuwigheid vaak verrassend hoog.

Hoe zit dat met U? Gooit U alles met het grootste gemak om, of is Uw gemoed net zo kosmisch als het mijne?


donderdag 15 januari 2004

In de binnenzak

Wie wat bewaart, heeft niks.


dinsdag 13 januari 2004

Is Hij wel dood?

De heer Nietzsche sprak ooit: “In dieser Woche habe ich dreimal die Matthäus-Passion des göttlichen Bach gehört, jedesmal mit demselben Gefühl der unermesslichen Verwunderung. Wer das Christentum völlig verlernt hat, der hört es hier wirklich wie ein Evangelium.”

Dat ik Uw reacties ter harte neem, mijn waarde lezer, mag blijken uit het volgende. Mede naar aanleiding van opmerkingen van de heer Lijstje beluisterde ik hedenochtend in de file een deel van de Matthäus-Passion, editie Het Kruidvat.

De combinatie van deze muziek, het ongure weer en de regen die op de ruit kletterde deed mij verwonderd naar boven kijken, de woorden van Nietzsche indachtig.