U kent dat type wel. Of misschien bent U er zelf een. De talentvolle belofte. Zo iemand waarvan je weet dat ie veel in z’n mars heeft. Het moet er alleen nog maar even uitkomen. Ooit. Nu zijn er exemplaren, heb ik van horen zeggen, die niets liever doen dan een beetje voor zich uit staren. Dagdromen. Bij voorkeur ergens in de vrije natuur, aan waterkant of juist in open veld. Niemand storend, en door niemand gestoord.
Zonder verder in te gaan op mijn eigen talenten, als die er al zijn, kan ik U zeggen dat voornoemde bezigheid mij niet geheel vreemd is. De momenten van eenzaam peinzen heb ik lief. Edoch, wat ik contempleren pleeg te noemen, noemt een ander lanterfanten.
Het is de hete adem van plicht en verantwoordelijkheid die mij het plezier dat de ledigheid mij biedt nogal eens ontneemt. En die mij het volgende vertwijfeld doet afvragen. Belofte maakt schuld, maar geldt dat ook voor talentvolle beloftes?
Op reis voel ik mij in het algemeen aangenaam ontheemd, ook al is er in de loop der tijd met de ervaring een valse zelfverzekerdheid gegroeid. Anders dan in Peru leek mijn verblijf in Gambia, enige jaren later, veel ontspannender, daarmee overigens niet noodzakelijkerwijs beter.
Er waren geen kakkerlakken in Tendaba Camp waar ik enkele dagen bivakkeerde, zomin als avontuur. Vandaar dat ik op een namiddag aldaar het kamp verliet, en het aangrenzende dorp aandeed. Er was geen Westerling te vinden tussen de bouwvallige hutjes, en ik voelde me mijns ondanks ontzettend blank. Twee jongens spraken mij aan, en vertelden trots over hun restaurant. Of ik er wilde eten. Misschien later, zei ik, maar liet ze wel uitleggen waar het was.
Ik slenterde verder, naar het haventje aan de rivier. Daar ging ik zitten, en bezag de bedrijvigheid van de mannen in de vissersbootjes. Het duurde niet lang voor ik omringd werd door kinderen. Een meisje van een jaar of vijf ging naast me zitten, pakte mijn onderarm, en begon aan een nauwkeurig onderzoek. Alsof ik er zelf niet bij was. Pluk kende ze natuurlijk niet, daarom wellicht liet ze zich de kans een Hollandse huid nader te bekijken niet ontnemen. Geamuseerd liet ik haar begaan.
Bij zonsondergang ging ik naar de plek die de jongens mij eerder gewezen hadden. Ik had trek, en het ‘restaurant’ benieuwde mij. Een hutje aan de rivier dat zich in niets onderscheidde van de rest van de krotten bleek te zijn wat ik zocht. De jongens gaven mij een enthousiast en warm welkom, en leidden mij door de enige kamer naar de achterzijde van het bouwsel, waar ze een tafeltje hadden geplaatst, direkt aan de oever van de Gambia. Bij het licht van een kaars in een lege jampot en onder het genot van lauwwarm bier werd mij een plastic bord geserveerd met daarop rijst, wat groente en de grootste garnalen die ik ooit gezien had.
Met plezier beloofde ik de jongens dat ik reclame voor ze zou maken. Zelden heb ik lekkerder gegeten. En daar deed de enorme kakkerlak die ik tijdens het diner over de muur zag lopen niets aan af.
Totdat ik Zaza leerde kennen, wist ik niet wat een kakkerlak was. Ik zal een jaar of vijf zijn geweest, toen mij het verhaal van Pluk en zijn vriendjes werd voorgelezen. In mijn jonge jaren heb ik zo’n beestje echter nooit in levende lijve mogen zien. Anderzijds, ook geen mevrouw Helderder.
Ruim twintig jaar na Pluk klop ik op de grote voordeur van een sjofel pension in Lima, Peru. Het is laat en donker. Geen boek over de Petteflet, wel een Lonely Planet in mijn rugzak. Deze laatste had mij gebracht tot waar ik ben, aan de deur van wat zo ongeveer de goedkoopste slaapplaats in de stad moet zijn.
Eenmaal op de kamer hoor ik geritsel langs de bordpapieren wand. Een aanzienlijk subtieler geluid dan dat van de pret in het bed van de buren, hetgeen mij eveneens ter ore komt. Ik hoef niet lang te zoeken voordat ik een kakkerlak zie. Ik denk aan Zaza, en glimlach. Met enige aarzeling leg ik mij in het smoezelige bed, daarbij aangemoedigd door kreetjes vanuit het belendende vertrek, alwaar over de kwaliteit van de sponde in ieder geval niet geklaagd wordt.
Ondanks mijn vermoeidheid duurt het lang voordat de slaap mij overmant. Niet meer dan een paar uur daarna sta ik weer op.
Eerst de schoenen uitkloppen voordat je ze ’s ochtends aantrekt. Het is een logische regel waaraan de oppassende reiziger zich te houden heeft. Je weet immers nooit wat zich er ’s nachts in genesteld heeft. En jawel. Goedemorgen, Zaza!
Vindt U dat ook, dat men de logger die zijn commentaarmogelijkheid uitschakelt enige stoerheid niet kan ontzeggen?
Ik ben niet handig, mijn waarde, ik ben tweehandig. Dat zit namelijk zo, een jaar of vijf geleden oefende ik mij noodgedwongen in het bewegen van de muis met zowel de rechter- als de linkerhand. Het herhaaldelijk aanspannen van de spieren aan alleen de rechterzijde werd mij teveel. Afwisseling bleek mijn redding, en zo ontwikkelde links zich tot het niveau van rechts.
En niet alleen achter de computer maak ik gebruik van links. U kunt zich ongetwijfeld tal van andere zaken voorstellen die normaalgesproken slechts met de rechterhand worden gedaan. Al naar gelang mijn bui doet nu mijn linkerhand het vuile werk. Erg prettig, moet ik zeggen.
Vooraleer ik verder inga op mijn handigheid, poneer ik de volgende stelling: zonder externe factoren kent een mens geen twijfel. U mag het hiermee eens zijn of niet, de kern van waarheid zal U natuurlijk niet ontgaan. Een idee wordt slechts aan het wankelen gebracht, doordat men iets waarneemt wat dat idee logenstraft, óf doordat een ander U met zijn idee op een dwaalspoor brengt.
Zo was ik er als kleine jongen bijvoorbeeld van overtuigd dat ik best handig was. Mijn omgeving dacht daar anders over. Losse opmerkingen, soms onschuldig genoeg, deden de twijfel knagen, en uiteindelijk geloofde ik ook zelf in mijn onhandigheid. De een is goed met zijn hoofd, de ander met zijn handen. Een mens moet immers zijn beperkingen kennen. Zo koos ik voor het hoofd, en verloor het vertrouwen in de handen. Ten onrechte natuurlijk, maar het kwaad was reeds geschied.
Wellicht bent U bekend met het feit dat ik heden ten dage menig vrij uur in het verbouwen van mijn huis steek. Zoniet, dan kent U ze vast wel, die figuren die een oud pand betrekken, en vervolgens jarenlang bezig zijn om daar een paleisje van te maken, als dat er ooit al van komt. Welnu, zo’n armzalige ben ik.
Dat ik het er hier niet vaak over heb, heeft te maken met ruimte.
Eenieder wordt omgeven door meerdere ruimtes, vier stuks in totaal, zo las ik gisteren ergens. Het gaat met name om de intieme, de persoonlijke, de sociale en de publieke ruimte. Al naar gelang de (gespreks)partner wordt er vrijwel ongemerkt een grens gesteld. Zo staat U slechts een enkeling - of niemand - toe Uw intieme ruimte te betreden, of althans, dat mag ik hopen. En dat, terwijl Uw sociale ruimte allicht meer bezoekers kent. U kunt zich wel voorstellen dat ik er soms moeite mee heb het persoonlijke de publieke ruimte in te slingeren, en dergelijks daarom dus maar liever voor mij hou.
Met U heeft dit laatste overigens niets van doen, mijn waarde, maar dat begrijpt U. De publieke ruimte is van iedereen, en vreemd genoeg kan dát juist zorgen baren.
Hoe dan ook, ik verbouw dus. Al jaren. Men leert al doende, en waar ik mij eerst onzeker voelde, houdt nu niets, behalve vermoeidheid, mij tegen. Waterleiding, riolering, elektra, vloer of tussenwand, ik draai er mijn hand niet meer voor om.
Afgelopen weekend hield ik mij met het nobele schilderwerk bezig. De kenner merkt op dat de arbeid vordert, gezien men niet verft eer een ruimte af is. Nu ja, ik schilderde, zoals gezegd. En al bezig zag ik mijzelf de kwast overpakken van rechts naar links, en weer terug, als was het een muis. Even was ik me bewust van mijn tweehandigheid, en dat deed goed. Een tevreden moment. Een piekje tussen de dalletjes, welke laatsten overigens buiten de verbouwing vallen.
Mijn nopjes zijn zoek.
Ik was erin, maar nu niet meer.
Mijn nopjes zijn zoek.
Weet U waar ze zijn, Mijnheer?
Tussen jongen en man ligt de grens der volwassenheid.
Ik vraag me weleens af of ik volwassen ben.
Echte mannen doen dat niet.
De broeierige avond van gisteren deed mij een stadswandeling maken. Ik mag graag eenzaam dwalen. Langs gracht en panden, door steegjes en poortjes. Opgetogen de historie van eeuwen inademend.
Op zeker moment vervliegen mijn toch al losse gedachten als ik het volgende tafereel gewaar word. Een man op de grond, een fiets daar bovenop, schaafwonden her en der. Huilend zonder tranen.
Een korte aarzeling later sta ik naast hem, en vraag of het wel goed gaat. Het antwoord was natuurlijk bij voorbaat al duidelijk, maar de man kijkt me slechts woordloos aan. Van ver.
“Ik help wel even”, zeg ik, terwijl ik de fiets van hem af til. Het brik is bijna net zo verwaarloosd als de man zelf. Moeizaam kruipt hij overeind, wankelt een ogenblik, en neemt dan de fiets van mij over. Zegt niets, ziet niets. “Doe rustig aan verder”, klinken mijn woorden hem na.
“Dankjewel”, hoor ik tenslotte, vlak voordat hij onvast de hoek omslaat.
Ik loop door, en speculeer over de oorzaak van de val. Niet van de fiets, maar van de man. Hij moet al veel eerder gevallen zijn. Ver voor zijn eenzaam dwalen.
Mijn ivoren lach is overtuigender dan het goud in morgenstonds mond. Het is kwart over zes als ik de deur achter me dichttrek, en mijn oren zich vullen met het gekwinkeleer van tientallen gevleugelden. Omzichtig plaats ik mijn voeten naast twee traag kruipende slakken, mijzelf hoedend voor huisvredebreuk, en wandel het pittoreske steegje uit waar ooit de Romantiek geboren moet zijn. Tevergeefs onderdruk ik een sprongetje in de lucht van blijdschap.
Bijna dagelijks maak ik een uitstapje naar de realiteit, maar nooit zonder terug te keren. Daar waar aan dromen wordt getimmerd en geschaafd is het duizendmaal beter toeven dan elders. Zeker als er schot in de zaak zit. Mocht iemand mij vragen hoe ik het maak, ik zou zeggen: “Goed.”
Een voorwoord slechts. Weliswaar mooi verwoord. Maar niet meer dan dat.
Van die dwalingen. Zo was ik er dus tot op heden volkomen van overtuigd dat alles wat ik schrijf enkel voorwoord is. Dat het échte nog moet komen. Net zoals het ware leven, waarvan al mijn handelingen slechts de prelude vormen.
“U draait eromheen, Mijnheer. Al Uw leven lang.”
“Waaromheen?”
“De hete brij.”
Om dan plots te ontwaken, en in te zien dat alle voorwoorden tezamen het verhaal vertellen waar ik naar zocht.
De conclusie. Er is geen verhaal. Dit is het verhaal.
Moge de euforie het winnen van de deceptie.
juli 2008
juni 2008
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
oktober 2006
september 2006
augustus 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
december 2005
november 2005
oktober 2005
september 2005
augustus 2005
juli 2005
juni 2005
mei 2005
april 2005
maart 2005
februari 2005
januari 2005
december 2004
november 2004
oktober 2004
september 2004
augustus 2004
juli 2004
juni 2004
mei 2004
april 2004
maart 2004
februari 2004
januari 2004
december 2003
november 2003
oktober 2003
september 2003
augustus 2003
juli 2003
juni 2003
mei 2003
april 2003
maart 2003
februari 2003
januari 2003
december 2002
november 2002
oktober 2002
september 2002
augustus 2002
juli 2002
juni 2002
mike(at)mikz.net