mikzlog
maandag 22 mei 2006

Tot op de bodem

Bij de hoge is het water wel bijna vier meter diep. Daar kom je niet zomaar tot op de bodem. Ik heb het wel eens geprobeerd vroeger, als klein jochie. Niet door van de plank te springen, dat was immers veel te eng, maar gewoon, terwijl ik in het water lag, diep inademen, en dan naar beneden.

Op een gegeven moment kom je op het punt waarbij je zo ongeveer door de helft van je zuurstofvoorraad heen bent. Tijd voor een zeer belangrijke beslissing: ga ik door of ga ik terug? Als je de bodem haalt, dan red je het wel. Een kwestie van keihard afzetten, en je bent zo weer boven.

Ik was echter altijd bang bewusteloos te raken voordat ik helemaal beneden zou zijn, en koos daarom eieren voor mijn geld. Ik hield teveel van het leven om de dood te riskeren. Die bodem heb ik destijds nooit gezien.

Bovenstaande is één van de ziljoen allegorietjes die mij momenteel ongecontroleerd door het hoofd schieten, terwijl ik naar beneden duik. Waarom ik mijzelf altijd beteugeld heb is me een raadsel. Die bodem ga ik raken, al is het het laatste wat ik doe. Mijn hemel. Wat is dat water lekker, man!


woensdag 17 mei 2006

Open en bloot

Het komt wel eens voor dat ik zomaar opeens benieuwd ben naar Uw blootje. Geen idee waar het vandaan komt, die nieuwsgierigheid, en ik weet eigenlijk ook niet of het erg is. Vaak verdwijnt het gevoel weer even snel als dat het kwam. Soms, daarentegen, niet.

Het is eigenlijk heel merkwaardig, want stiekem geniet ik van mijn eigen onwetendheid. Als U zich in mijn bijzijn van Uw kleding zou ontdoen, dan neemt U tegelijkertijd mijn nieuwsgierigheid weg. Wil ik dat? Ja en nee, respectievelijk. Een dilemma.

Aan U de vraag: is er een oplossing denkbaar die bevredigt?


maandag 15 mei 2006

Broertje

“Jouw lezers hebben stuk voor stuk last van een overontwikkelde neocortex”, sprak hij, terwijl hij om zijn woorden kracht bij te zetten veinsde krom te gaan onder het gewicht van een hoofd twee keer zo zwaar als in werkelijkheid.

Het zal U maar gezegd worden.

Hij orakelde verder. Ander moment, andere context. “Weet je wat het is? Je moet niet proberen met bakstenen een horloge te bouwen.” Opeens zag ik mezelf bezig, stenen slepend, stapelend en onderwijl blind zoekend naar een bouwtekening. De zinloosheid van de hele onderneming was overduidelijk, ik probeerde de gedachte vergeefs met een slok bier te verdrinken.

Of hij gelijk heeft? Zeker wel! Wie inmiddels aan den lijve ondervindt dat chaos zich niet ordenen laat, maar wel over een niet te verzinnen schoonheid beschikt, houdt het metselen - even dan toch - voor gezien. Logisch. Voor de vorm protesteerde ik nog: “Maar het lijkt toch wel een beetje op een horloge?” Zijn antwoord was helder en onverbiddelijk: “Een zonnewijzer. Meer is het niet.”


maandag 8 mei 2006

Short message service

Deze jongen heeft ooit de boot gemist. De sms-boot wel te verstaan. U zult het misschien niet geloven, maar ik ben dus niet in alles zo handig als ik eruitzie. Neem nou de kunst van het versturen van berichtjes per mobiele telefoon. Daar heeft ondergetekende het maar moeilijk mee.

Omdat ik er nooit het nut van inzag, hield ik mij er altijd verre van. En dat wreekt zich nu. Niet zo heel lang geleden - ik dobberde moederziel alleen op mijn vlotje rond - ontving ik zomaar een berichtje. Van de sms-boot. Vervelend genoeg vond ik het nog leuk ook. Het deed me wat. Er werd aan mij gedacht.

U, die natuurlijk al tijden op die boot vaart, kunt mij vast wel vertellen hoe het moet, en wat normaal is. Zo ben ik bijvoorbeeld benieuwd hoeveel van die tekstjes er op een gemiddelde dag bij een gemiddeld mens doorheen gaan. Twee, tien, honderd?

En dan zijn er nog de meer ethische kwesties. Kun je een sms’je onbeantwoord laten, zonder onbeleefd te zijn? Is zo’n tekstje op te vatten als (on)gewenste intimiteit, of is er niets speciaals aan? Zijn er tijdstippen waarop men beter niet kan sms’en? Is er überhaupt een etiquette?

Of, maar dat zal wel niet, bestaat er helemaal geen boot, en dobbert ook U moederziel alleen rond op een vlotje?


vrijdag 5 mei 2006

Tintelend

Iemand zei mij laatst dat aan een goed verhaal het gevaar kleeft dat je er nog in gaat geloven ook. Het beperkt de eens zo open blik. Vandaar dat het niet onverstandig is om af en toe eens een stapje terug te doen. Om het verhaal ook van zij- en achterkant te bezien. Als dat tenminste lukt. En zoniet, dan roep je gewoon de hulp van een ander in. Van U bijvoorbeeld.

Het verhaal in kwestie wordt verteld door Antonio Damasio, en ik zal het voor U in een notendop persen. De heer Damasio maakt onderscheid tussen de begrippen emotie, de fysieke reaktie op datgene wat door de zintuigen wordt waargenomen, en gevoel, de mentale reaktie op onze lichamelijke gesteldheid. Emotie, zo zegt hij, komt vóór gevoel.

Doordat het zweet U uitbreekt, bent U bang, en niet andersom.

Misschien trekt U nu reeds een wenkbrauw op, en mocht dat zo zijn dan hoor ik het graag, maar ik vind deze stelling eigenlijk wel aannemelijk. Het verhaal wordt complexer wanneer we inzoomen op die zintuiglijke waarnemingen. Niet alleen Uw ogen bepalen namelijk Uw beeld van de wereld, maar ook Uw gedachten. Een nachtmerrie heeft U normaliter zelfs met Uw ogen dicht. Inclusief angstzweet.

Vanzelfsprekend kunt U datgene wat Uw, laten we zeggen klassieke, zintuigen waarnemen niet sturen: als U een schuimbekkende hond ziet, dan is ie er ook. Maar Uw gedachten kunt U natuurlijk wel manipuleren. En zij zijn weer in staat om Uw emotie te beïnvloeden. Soms is dat handig, en soms niet. Angst is niet altijd (on)gewenst.

In plaats van Uw emotie, en daarmee Uw gevoel, te onderdrukken door middel van slim uitgekozen gedachten, kunt U haar uiteraard ook versterken. Voelt U een piepklein vlindertje in Uw buik dan kunt U die, door wat eenvoudige projectie, fluks verduizendvoudigen. En zo kan iedereen zichzelf wijsmaken dat ie verliefd is. Je hoeft er slechts voor open te staan, zoals men wel eens zegt.

Momenteel ben ik nogal gefocust op wat ik meen te voelen, op het angstzweet en de buikkriebels. Ik probeer datgene wat ik ervaar continu te plaatsen in bovenstaand model. Misschien is het daarom dat ik de laatste tijd relatief tintelend in het leven sta: ik roep het over mezelf af. Misschien ook niet, en zijn het tóch de primaire emoties die mij zomaar opeens bij de kladden grijpen. Of misschien is dit hele verhaal onzin, en is er iets volslagen anders aan de klamme hand.


maandag 1 mei 2006

Aan de overkant

Dat had U verdorie wel eens eerder mogen vertellen, dat dat taaie intellectuele geneuzel van mij U eigenlijk geen moer interesseert. Het is heus niet zo dat ik het allemaal zomaar uit mijn mouw schud, hoor. U ziet mij tijdenlang nodeloos ploeteren, maar U zegt er helemaal niets van. En ík loop van alles mis. Het moet er even uit: dit siert U niet.

Gelukkig ben ik in een goeie bui.

Over buien gesproken, zaterdag had je ze ook. En ik kan het weten, want ik zat er middenin. Om de zinnen eens wat te verzetten had ik afgesproken met een vriend in Den Bosch. Ooit bewoonden wij verschillende kamers op dezelfde gang, op de eerste verdieping van een Delfts pand dat een nogal dominante hospita toebehoorde. Inmiddels woont hij zo’n 80 kilometer van mij verwijderd. In ’s Hertogenbosch, dusch. Wat er van die hospita geworden is, dat weet niemand. Hoe dan ook, ik had het plan opgevat om de afstand die hem van mij scheidt met de fiets te overbruggen.

Over bruggen gesproken, die waren er niet zoveel. Pontjes wel. Na een uur of wat fietsen stuitte ik op de rivier die tussen Arkel en Spijk door stroomt. De Linge, zoals ze heet. Ik was in Arkel en moest naar Spijk. Niet Charon, maar een oude, gedistingeerde dame trof ik bij de waterkant aan in een klein hutje vol met vruchtenvlaaien. Zij runde het veer, verkocht taartjes, en heette Marie. Het was net een sprookje, echt waar. Een eng sprookje bovendien, want in de verte deed zij me aan mijn vroegere hospita denken. Ze keek streng. Met een bootje waarop niet veel meer dan een fiets past zette zij me over.

En toen begon het dus te regenen, maar het deed me niets. Drie kwartier later, ik was inmiddels volkomen doorweekt, maakte een lichte irritatie zich van mij meester, maar om echt over naar huis te schrijven was ie niet. Ik proefde de regen en proefde het leven. En dat laatste doe ik nog steeds, vreemd genoeg. Ik genoot en geniet.

Hoe wonderlijk en onsamenhangend bovenstaand verhaal ook moge klinken, er is niets van verzonnen. Op de smaak van het leven na misschien, want die heb ik me mogelijk ingebeeld. Maar dan tóch geproefd. Ik ben van zins daarop terug te komen, in een volgend stukje. Zal ik dan de hersenen alsnog laten kraken? Ik denk het wel. Tenzij U mij ervan overtuigt dat het veel beter is dat ik blind blijf genieten, dan doe ik er natuurlijk gewoon het zwijgen toe.