Een straat vol fiets, een stad vol mens, en hij die erop neerkijkt vanaf zijn balkon, anoniemer dan ooit. Het lijken wel bouwsteentjes, al die kwebbelende figuurtjes op afstand, denkt hij in een van vervreemding vervuld moment, bouwsteentjes waarmee ik mijn leven vorm kan geven, precies zoals het mij schikt. Maar zo gemakkelijk is het niet om een nieuw bestaan op te bouwen.
De bouwsteentjes zijn weerbarstig, hem wezensvreemd, en ook de stad zelf is de zijne niet. Toch voelt hij zich niet ongelukkig, meestal niet. Teruggeworpen op zichzelf heeft hij de tijd om te denken. Hij kan precies doen wat hij wil. Het zal allicht niet vanzelf gaan eer ik mijn draai gevonden heb, houdt hij zich voor, maar uiteindelijk kom ik er wel.
Dat hij er komt is zeker, sterker nog, hij is er al. Een mens is immers geen feniks die uit zijn as herrijzen kan. Geen vernieuwing, maar verandering hooguit. En dat kan niet zonder oude bouwsteentjes, niet zonder eigen huid en haar. Het is de illusie van de ongekende mogelijkheden, die hem verleidelijk omhelst. Maar het is niet erg, dromen mag.
Van balkon loopt hij naar keuken, schenkt een glas wijn in en begint met koken. Kruidige geuren vullen alras het vertrek, en het plezier dat hij in het bereiden schept, schept hij ook door de maaltijd. Meer dan een snufje. Met gevuld bord nestelt hij zich op het balkon, en kijkt opnieuw naar de mensen. Ongekend. Diep tevreden.
6 reacties
Net zoals U en niemand anders door Uw ogen kijkt ben ook ik enig toeschouwer in mijn eigen theater. Een fundamentele eenzaamheid kleeft aan ons beider bestaan. Ik hier en U daar. Het klinkt alleszins logisch, dat zult U met me eens zijn, tótdat U zich gaat afvragen waar ik precies eindig en U begint.
Wie ben ik? Geen idee. Ben ik die jongen die ik in de spiegel zie? Ze zeggen het. Maar ben ik dan ook mijn neus? Ben ik mijn wenkbrauwen? Ben ik mijn haren? Ik heb me weleens afgevraagd of ik een deel van mezelf verlies wanneer ik een tondeuse over mijn hoofd laat zoeven, iets wat met enige regelmaat gebeurt.
Het is een venijnige vraag, want als ik mijn haren ben, waarom dan niet ook de woorden die ik hier schrijf? Een tondeuse over deze pagina zou me toch zeker meer aan het hart gaan dan wat een kapper met mijn hoofd doet. Tja. Ik ben ik omdat we dat zo hebben afgesproken, niets meer en niets minder dan dat.
Maar daarom hoeft het nog niet waar te zijn.
Net zoals de fysieke afstand tussen U en mij een afspraak is – de ‘meter’ is immers een verzinsel – is de geestelijke dat ook. Als ik aan U denk, en ik denk weleens aan U, dan maakt U deel uit van mij. En dan zitten we toch maar mooi samen op de eerste rang, in plaats van fundamenteel alleen.
Wat ik wil zeggen is dat de vanzelfsprekendheid waarmee we de wereld om ons heen als een verzameling van op zichzelf staande entiteiten bezien alleen maar bestaat omdat iedereen er zo over denkt. Graag wil ik die existentiële eenzaamheid ontkennen, maar daarin sta ik heden ten dage vermoedelijk alleen.
13 reacties
Het mag dan wel een archaïsme zijn, nochtans vind ik nochtans een erg mooi woord. Maar wat dacht U van de voorgaande frase? Die is toch zeker helemaal prachtig! Want vertelt U mij eens, hoe ontleedt U deze zin? Is de eerste nochtans een voegwoordelijk bijwoord en de tweede lijdend voorwerp, of andersom?
Als U erover na gaat denken, dan komt U er niet echt uit. Het is óf het één, óf het ander. De zin gaat dansen als U er naar staart. Het is welhaast de taalkundige variant van een optische illusie als die van het meisje en de oude vrouw.
Bijgaande figuur stamt uit 1888, en het verhaal wil dat het iets over Uw persoonlijkheid zegt wat U er in eerste instantie in ziet. Veel waarde moeten we hier mijns inziens niet aan hechten. Me dunkt dat U onmiddellijk een meisje ziet, en pas in tweede of derde instantie een heks, die vervolgens en helaas ook maar niet verdwijnen wil.
De eerste zin van dit stukje stamt uit 2006, ik heb ‘m verdorie zojuist zelf bedacht, maar of de wijze waarop U hem ontleedt iets zegt over Uw karakter of wellicht volksaard – even heb ik gedacht dat de natuurlijke voorkeur voor de plaats van het voegwoordelijk bijwoord voor een Belg anders is dan voor een Nederlander – weet ik niet. Nochtans kan ik enorm genieten van zoiets simpels als een handvol woorden. Het leven hóeft toch eigenlijk niet moeilijk te zijn.
21 reacties
Lul de Behanger sprong op zijn fietsje en ging zigzaggend naar het werk. Emmer plaksel aan z’n stuur, een paar rollen behang onder z’n arm. “Hé Lul,” riep zijn vrouw hem na, “je vergeet wat.” De Behanger keek om, en zag het blik dat zijn vrouw in de lucht hield. “Je broodrommeltje”, zei ze. De fiets keerde weerom.
“Haha! Broodtrommeltje zul je bedoelen, met een t”, lachte Lul, want dom was hij niet. Hij greep het doosje, draaide nogmaals zijn rijwiel, en vervolgde blijgemutst zijn weg.
6 reacties
Bij de ingang van het labyrint zat een man, Janus genaamd, ‘niet wijs doch slechts oud’, zoals hij zelf altijd zei. Eenieder die naar binnen wilde sprak hij aan, dat was zijn baan. Zelf kende hij het labyrint niet, althans niet van binnen, en als poortwachter vond hij het eigenlijk ook niet nodig om te weten wat er zich daar afspeelde. Dat geen mens het doolhof ooit weer verlaten had, zei hem genoeg. Hij voelde zich niet geroepen. Vaak gingen er weken, soms maanden voorbij zonder dat hij iemand zag.
Op zekere dag verscheen er toch weer een jongmens bij de ingang. Janus’ kop zag hem aan. De jongen leek moe. “Je gaat me toch niet vertellen dat je naar binnen wilt?”, vroeg de oude man. “Dat ga ik wel”, was het antwoord. “Laat mij je dan waarschuwen: nog nooit zag ik mensen die kwamen ook weer gaan. Dit labyrint lijkt voorwaar een eindstation.” De jongen knikte. “Wat bezielt je?”, vroeg Janus.
“Verloren zal ik daar ronddolen, in dat labyrint, maar verdomd, dan wéét ik, dan weet ik tenminste zeker dat ík het ben die ronddoolt en dat ík het ben die zich verloren voelt. Het is een keuze. Ik had immers ook níet naar binnen kunnen gaan, wil ik maar zeggen. Het overkómt me nou eens een keer niet, dat eeuwige gevoel van reddeloosheid, maar in plaats daarvan roep ik het doelbewust over mezelf af, ik ben de baas, en dát is in zekere zin een geruststellend verschil”, maakte de jongeling zichzelf en Janus wijs.
Peinzend keek de oude man hem aan. Hij wist dat er iets niet klopte, maar gaf hem toch vrij baan. “Veel succes, mijn zoon”, riep hij hem na. De jongen was reeds uit zicht verdwenen. Janus was even stil, schudde toen het hoofd, en mompelde: “Wat een sukkel.” Hij vlijde zich op zijn zetel weer neer, en deed wat hij in feite al die tijd had gedaan: wachten.
9 reacties