Vroeger was hij een verlegen jongetje, maar die tijd is voorbij: nu is hij een verlegen man. Hij spreekt vaak over zijn gevoel, maar zijn gevoel zelf spreekt zelden. De man leeft meta. Ter verklaring van het onvermogen zich te laten gaan wijst hij op zijn bovenmatig ontwikkeld zelfbewustzijn. Een slang die zichzelf in de staart bijt, uiteraard, want wie zegt dat de oorzaak van zijn remmingen het besef van die remmingen is komt ze nooit te boven.

Het leuke en tevens trieste van voorgaande alinea, die met twaalf anderen in een dozijn past, is het feit dat ze van zichzelf ook weer hartstikke meta is. Een graadje erger zelfs, want het beschouwelijke wordt beschouwd. Op die manier komt er natuurlijk nooit vuurwerk. Noch het beschrevene noch het geschrevene raakt los van de grond. “Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent”, sprak Pascal ooit. Het heeft dus geen zin om met hart en ziel te denken over dat hart.

Maar waar moet het dán heen? Komt goed schrijven neer op een ondoordachte kretologische kakofonie? Een rijgsel van fijne woordjes die hun bestaansrecht slechts op genoemde fijnheid kunnen baseren? Nee toch zeker! Een schrijver is meer dan een ambachtsman, hij keert zich binnenstebuiten, en toont al wat mooi en lelijk is. Hij is doodsbang om zijn kwetsbaarheid te laten zien, maar kán niet anders, zijns ondanks.

Zo verlegen als onze meta-man lijkt is ie trouwens helemaal niet. Zijn hart, zijn lijf, zijn hele wezen stroomt van passie over. En toch houdt hij zich in. Niet uit schaamte, maar omdat hij keer op keer stuk liep, op het moment dat hij ook naar een ander toe zichzelf heeft willen zijn. Hij werd nooit begrepen. Was hij schrijver geweest, dan lag hij nu bij de ramsj. Daar waar ik mijn boeken koop, zeg maar.

6 reacties

Ik benijd U, en beklaag mijzelf.

Keer op keer wordt U tot een glimlach verleid en/of tot nadenken gestemd als U onderhavig log openklikt. U wordt aangenaam verrast. Ik daarentegen ben als enige op de hele wereld niet in staat om mikzlog te beleven zoals U het beleven kunt. Mij rest slechts een flets déjà vu als ik lees wat schrijver dezes geschreven heeft. U kunt zich een leven zónder mikzlog niet voorstellen, ik niet met. Niet zoals U.

U hoeft mij niet zielig te vinden, maar die zegeningen van U .. die mag U verdorie gerust wel eens tellen!

6 reacties

Kunt U zich er iets bij voorstellen, bij associatief schrijven? Het doet me denken aan een kraan die openstaat, de wasbak vult en overstromen laat, en vervolgens vloer en alles wat zich daar bevindt benat. Het water kruipt dóór het tapijt, vindt kieren tussen balk en plaat, en druppelt zo in het onopgemaakte bed van buuf benee. Zij is nooit thuis, weet niet wat liefde is, maar verkeert in kringen hooggeplaatst. En dat is ook wat waard.

Haar ranke schouders dragen ‘s werelds last, die daar nauwelijks op past, hetgeen zij met haar ogen zegt. De opticien kijkt er niet van op, hij is wel meer gewoon, als zij zich meldt per telefoon om nu toch eindelijk eens te laten zien naar wat er mis is met haar hoofd. Een afspraak volgt kort. Niets aan de hand, zegt de man nadien, als hij in één opslag heeft gezien dat het niet haar ogen zijn waar het aan schort. Volgende patiënt! Buuf gaat heen.

Een jongeman betreedt optiek – diep van binnen geestesziek – en groet de oogarts met een knik. Hij tovert een vervaarlijk mes in zicht, en plaatst ‘m doelgericht tussen tweed’ en derde rib. De arme dokter hapt vergeefs naar lucht, en blaast van weeromstuit zijn laatste adem uit. De gek wordt opgepakt en naar dolhuis meegetroond, met eenzame opsluiting beloond, maar voor de brillenman komt dát alleszins te laat.

Wie kómt er heden nog op tijd, lopend achter ieder feit, en vergeten waar het allemaal om gaat? Geen horloge, digitaal of analoog, die vermag dat men de dag met inzicht plukken mag. Ik klaag er niet om, maar betreur dat men met zichzelf leuren moet om te laten gebeuren wat men normaliter niet doet. De gek bonkt zijn hoofd tegen de met kussens behangen wand van isoleervertrek. Hij heeft geen flauw benul waarom. Hij óók geen flauw benul.

Het dolhuis is door bos omgeven. Groen geblaar contrasteert met ‘t rood gevaar dat binnenshoofds rondwaart. De bomen, ja de bomen blijven staan, zien mensen komen en gaan, en blijven generaties leven. Baby wordt puber wordt ik word bejaard, doch het bos blijft om het even. Wie daar niet gek van wordt heeft het niet begrepen. Maar ik wandel, tussen de bomen door, en volg de route der roodwitte bordjes. Rondje Austerlitz. Mijn Waterloo.

5 reacties

Tot op heden heb ik Immanuel Kants tweede formulering van zijn imperatief, die zegt dat je ieder mens als doel op zich moet zien en nooit louter als middel (of zoals de dwerg uit Königsberg het zelf zei: “Handle so, daß du die Menschheit, sowohl in deiner Person als in der Person eines jeden anderen, jederzeit zugleich als Zweck, niemals bloß als Mittel brauchst”), nooit bewust in verband gebracht met sex. Merkwaardig, niet? Anderen, onder wie Alan Soble en niet te vergeten Kant zelf, deden dat wel. Hoe leerzaam!

Beseft gij eigenlijk wel, oh losgeslagen volk, dat het categorisch niet door de beugel kan wat gij daar allemaal uitspookt in slaapkamer en op keukentafel?

3 reacties

In een vreemd mooi land fant ik lanter
en bedenk me dat ik mis wat ik nooit heb gehad.

5 reacties

De coupé binnenlopend vangt hij de blik van een meisje om ‘m fluks weer terug te werpen. Hij zet zich tegenover haar, glimlacht kort en voelt hoe de trein op gang komt. Zij is zich niet bewust van haar rol, hij des te meer. De man pakt zijn telefoon, doet net alsof hij een nummer kiest en houdt dan het toestel tegen zijn hoofd. Vervolgens spreekt hij vrijuit. Het meisje luistert, of ze nu wil of niet.

De eerste keer dat hij het deed, een jaar of wat geleden, was hij bloednerveus. Het werd een kort gesprek. Na verteld te hebben dat hij bijna thuis was, aan niemand in het bijzonder, stak hij zijn telefoon weer weg en deed er het zwijgen toe. Geen mens keek op of om. Allengs durfde hij meer. Hij experimenteerde met onderwerpen, wisselde van virtuele gesprekspartner en ging soms uren door. Wat hij zei werd steeds persoonlijker, tot op het intieme af. De man werd schaamteloos. Vreemd genoeg, zo merkte hij, voelden de mensen rondom hem zich ongemakkelijk – niet hijzelf – als hij met tranen in de ogen sprak over dromen en verlangens die hem ‘s nachts rusteloos deden woelen.

De man staat buiten de wereld, dat weet hij zelf ook, en door zijn gesprekken raakt hij dat nog meer, benádrukt hij het. Hij spoort niet, maar zoekt toch aansluiting. En dát vertelt hij nu, aan dit meisje tegenover hem. Hij trekt van leer tegen conventie, biecht op dat hij zich nergens thuis voelt, dat de onwerkelijkheid van het bestaan, van het doen – het moeten doen – zoals iedereen doet, hem beklemt, maar dat hij geen uitweg ziet, geen bevredigende mogelijkheid om aan die wurggreep te ontsnappen. Want zoals hij nu leeft, in alle eenzaamheid, dat is het dus ook niet. Hij zucht.

Het meisje kijkt hem aan. Ze luistert wel, maar hij wordt niet gehoord.

7 reacties

Wie uit angst voor misverstanden zijn mond houdt en vervolgens beseft dat ook dát weer tot misverstanden leidt geraakt in een vervelende lus. Het advies om moedig te zijn is, hoewel goedbedoeld, meestal misplaatst. Men sommeert water niet te branden. In plaats daarvan dient men zich af te vragen waar die vrees vandaan komt. Is dat eenmaal achterhaald, en het koude water verdampt, dan kan de mond geroerd en kunnen de letteren knetteren.

Wie zich echter, uit angst dat de angst voor misverstanden is ingegeven door het eigen onvermogen om een duidelijk verhaal te vertellen, niet afvraagt waar die koudwatervrees nou vandaan komt, komt nooit meer uit die vervelende lus. Hij hangt zich zelve op.

4 reacties

“U zaagt, Mijnheer.”
“Aan de stoelpoten van mijn wereldbeeld.”
“Hoe bedoelt U?”
“Het is alles perspectief, Mijnheer. Zo dacht ik ooit dat het idee van Goed en Kwaad ons als een etherische wolk omhult. Ongrijpbaar, maar aanwezig. En dat die wolk zelfs nódig is om ons voor moreel verval – of erger nog: nihilisme – te behoeden. Maar zo werkt het dus niet. Er is geen wolkje aan de lucht! Al het goede komt van binnen. Het laagje vernis dat beschaving heet draagt hoegenaamd niets bij tot het algeheel welzijn. Het is van groot belang om onderscheid te maken tussen hoe iets is en hoe iets zou moeten zijn. Dat laatste is feitelijk onbeantwoordbaar. Ethiek, mijn waarde, is geworteld in biologie. Meer dan ik ooit heb durven zien.”
“U zaagt, Mijnheer.”

15 reacties