In den beginne, een jaar of zes geleden, toen ik nog druk bezocht werd omdat weblogland zo klein was, schreef ik uitsluitend voor de goede verstaander. Zij bleek echter niet alleen te zijn, hetgeen mij aangenaam verraste. Velen met mij schreven met de tong in de wang drie lagen diep. Zo kon het gebeuren dat je je allerzielste roerselen blootlegde in een cryptische reactie op een stukje waarin de schrijver soortgelijks deed.

Je hoefde elkaar niet altijd te begrijpen om te verstaan.

Die sfeer van diep mysterieuze vertrouwelijkheid was tamelijk verslavend. Je wist dat men wist dat je hoog spel speelde, maar te vrezen had je niets. Dát het ergens over ging bleek belangrijker dan waar het nou precies over ging. En wie wel begreep waar je het over had hield haar mond. U die zwijgt weet exact wat ik bedoel.

Vannacht kreeg ik vanuit het niets een mailtje van iemand uit die tijd, en verdomd, die sfeer, dat gevoel was er weer. Voor mij is dit epistel pure poëzie, vandaar dat ik het U lezen laat. Geacht publiek, U boft maar weer.

> Can you blame me?
> Yes.

Blijft lastig.

- W

2 reacties

Socrates was zo U weet gewoonlijk op de agora (marktplaats punt gr) te vinden, om aldaar de jeugd te bederven. Tegenwoordig noemen we een dergelijke plek in modern Latijn een forum, en hoeven we er zelfs de deur niet meer voor uit. Het internet is er immers vol van, met dit verschil dat de jeugd heden ten dage geen Socrates meer nodig heeft om te bederven. Dat kan ze helemaal zelf.

Ik moet U bekennen nog nooit aan een forumdiscussie deelgenomen te hebben. Als ik er al eens langs sjees, valt het niveau me meestal een beetje tegen. Het concept van zo’n forum vind ik niettemin alleraardigst, en ik kan me bijna niet voorstellen dat er geen hele goeie bestaan. Alles staat of valt natuurlijk met de deelnemers, maar er zijn er vast meer als ik.

Kent U ze?

12 reacties

Het water in de pot is bij voorbaat vergeeld, en dwingt mij om eerst door te trekken alvorens te gaan zitten, opdat de urine van een ander niet klotsklaps mijn kloten aanvreet. De spetters op de bril wrijf ik met een zucht en een papiertje weg. Tot zover business as usual, op het kleinste kamertje van het kantoor waar ik mijn zure geld verdien. Maar vandaag blijft het daar niet bij: de stortbak is met drek besmeurd, alsof mijn voorganger zich tijdens de stoelgang zover vooroverboog dat hij wel achter in plaats van in de poepdoos schijten moest.

Waarom, zo vraag ik mij kokhalzend af, is de man veroordeeld tot zoiets smerigs als het herentoilet? Dat is volslagen ongrondwettig! Vastbesloten draai ik me om, stap fluks bij de dames naar binnen, en laat daar, artikel 1 declamerend, mijn sporen na.

3 reacties

Bertrand Russell was een veelschrijver, en dat is zeg maar gerust een understatement: 100 boeken, 3000 artikelen, 40.000 brieven en of U peultjes lust. Deelt men zijn productie in woorden door het aantal dagen van zijn volwassen leven dan komt men op het fabelachtige getal van 2000. Iedere dag! Waar hij daarnaast de tijd vandaan haalde om ook nog eens een eindeloze rij vrouwen te bevredigen is mij een raadsel. Ze vielen althans bij bosjes voor hem. Het één zal ongetwijfeld in verband staan met het ander, vandaar dat ik ook zelf meen de pen wat meer ter hand te moeten nemen.

In zijn Geschiedenis van de westerse filosofie wijdt Russell een klein hoofdstukje aan William James. Gezien de bovenstaande berekening zal hij daar één, hooguit twee dagen over gedaan hebben. Hoe dan ook, dit kapittel was voor mij reden om Russell er nog eens op na te slaan, want voor William James heb ik een zwak. Ik heb het hier over “de onverbeterlijke humorist die over psychologie schrijft, en niet zijn broer Henry, de psycholoog die romans schrijft”, zoals de Britse criticus Percy Lubbock placht te zeggen. Henry ken ik niet zo goed.

Veel van het werk van James bestaat uit prettig leesbare essays, of uit lezingen die verwerkt zijn tot essays. Wat mij enorm boeit aan deze man is zijn innerlijk conflict: noch aan wetenschap noch aan religie kon hij zich volledig conformeren. “Damn the Absolute”, was zijn devies, soms tegen beter weten in. Befaamd is The will to belief, waarin hij pleit voor de andersdenkende: als iemand baat heeft bij zijn geloof in God of wat dan ook, dan moet hij daar vooral aan toegeven. Sterker nog, als hij er gelukkig van wordt, dan is dit geloof waar. Een heel praktische opvatting, de vader van het pragmatisme waardig. Mij charmeerde het.

Bertrand Russell dacht daar anders over. Dit is menslievendheid, maar géén filosofie, vond hij. In de eerste plaats is het natuurlijk lastig hard te maken of iemand baat heeft bij geloof. Daarnaast maakt James, volgens hem, een cruciale denkfout: hij verdedigt het geloof in God, niet God. Voor de gelovige is dit geloof geen issue, God bestaat voor hem. William James toont zich dus een apologeet op een manier die de gelovige wezensvreemd is. En precies dat is de tragiek van onze onverbeterlijke humorist: als ongelovige bezag hij de wereld door een religieuze bril. En hij kon niet anders.

Men zou dit sentiment typisch Jamesiaans kunnen noemen, maar het is van alle tijden en het heeft wel meer mensen bevangen, uiteenlopend van Ludwig Wittgenstein, die zijns ondanks ongelovig was, tot Frans Kellendonk, die ‘oprecht veinsde’. En ja, ook ik heb een klap van de Kamper molen gehad, mocht U zich nog afvragen waar dit stukje nou eigenlijk naartoe gaat. De afgelopen weken ben ik nogal bezig geweest met dit thema, en hoe ik het ook wend of keer, gelovig in de religieuze zin van het woord ben ik niet. Tot mijn spijt, had ik bijna willen zeggen.

Waar komt toch dat sentiment vandaan?

Ik vind dat een belangrijke vraag, en ik zoek nog steeds naar antwoorden. Ben ik bang voor een wereld zonder God? Als dat zo is, dan zou iets of alles wat voor mij van waarde is samen met Hem verdwijnen. Maar de liefde, om eens wat te noemen, verdwijnt niet! Bertrand Russell kan ervan meepraten: geen Christen, wel womanizer. Kathedralen dan? Ik heb wel eens gezegd dat ik ze nodig heb, ze staan symbool voor het verhaal en de sublieme ervaring. Maar is het niet juist het mysterie van het bestaan, dat zowel verhaal als ervaring voedt? Dat mysterie verdwijnt niet.

Misschien zit het zo. Voor mij manifesteert ‘de gelovige’ zich nogal tastbaar. Hij is namelijk mijn beste vriend. Ik ben niet bang voor een wereld zonder God, maar wel voor het verdwijnen van die vriendschap.

3 reacties

“Ik geloof niet in het goede, ik geloof in goedheid”, orakelt de heilige dwaas Ikonnikov-Morzj in het concentratiekamp. Sinds mijn bekering tot de Russische literatuur, dat wil zeggen, nu ik niet meer terugdeins voor boeken met een omvang van duizend pagina’s of meer, loop ik met enige regelmaat heilige dwazen tegen het lijf. Ze figureren in vrijwel alle grote werken, en balanceren op het slappe koord tussen wijsheid en waanzin, hoog boven de wereld van alledag.

Net als de meeste heilige dwazen krijgt Ikonnikov een kleine bijrol toebedeeld, maar wat hij zegt raakt de kern van Leven en Lot, het meesterwerk van Vasili Grossman, dat ik in een roes van koorts en huiver uitlas. De wereld van alledag vind je natuurlijk niet in een concentratiekamp, en Ikonnikov-Morzj is even dwaas als de fascist of bolsjewiek wijs is.

Een half boek na de genoemde uitspraak wordt ze uitgewerkt in een door Ikonnikov zelf geschreven verhandeling, die integraal in het verhaal is opgenomen, en die ik zo nu en dan nog eens zal herlezen, als eerbetoon aan deze heilige dwaas.

Wat is het goede? Goed voor wie? Goed van wie? Bestaat er een algemeen concept van het goede, toepasbaar op alle mensen, alle volkeren, alle levensomstandigheden? Of bestaat het goede voor mij in het kwade voor jou, het goede voor mijn volk in het kwade voor jouw volk?

Het algemeen goede bestaat niet, betoogt Ikonnikov. Iedere notie van het goede is een particuliere notie van het goede, geldig voor sekten, klassen, naties of staten, en doet zich slechts voor als universeel om de strijd te rechtvaardigen met alles wat daarbuiten valt, wat ‘het kwaad’ vormt.

Het idee van het goede zakt weg in het moeras van het leven, valt uiteen, verliest zijn algemene geldigheid, wordt ondergeschikt gemaakt aan de eisen van het moment en kan het leven niet vormen naar zijn prachtige maar onvruchtbare voorbeeld.

Maar wat dan? Is het leven zelf het kwaad? Nou nee, ondanks alles. Naast alle verschrikkingen die in naam van het goede ten uitvoer worden gebracht herkent Ikonnikov iets wat hij zinloze goedheid zou willen noemen, een goedheid zonder getuigen.

Ze is sterk zolang ze stom, onbewust en zinloos is, zolang ze in het levende duister van het menselijk hart blijft, zolang ze geen wapen en handelswaar wordt voor predikers, zolang haar ruwe goud niet tot heilig muntgeld wordt omgesmeed.

Deze goedheid maakt de mens tot mens, ze maakt dat een mens een mens helpt, zónder notie van het goede. Leven en Lot staat vol met verwijzingen naar dit idee, van een soldaat die, zonder dat hij het beseft, in een loopgraaf de hand van de vijand grijpt en steun vindt, tot een dame die de dood verkiest om een kind in zijn laatste momenten niet alleen te laten. Ikonnikov-Morzj gelooft heilig in deze goedheid.

Mijn geloof is gestaald in de hel. Het is uit het vuur van de verbrandingsovens gekomen, door het beton van de gaskamers gegaan. Ik heb gezien dat het niet de mens is, die machteloos is in de strijd met het kwaad, maar de kracht van het kwaad die machteloos is in de strijd met de mens. De onmacht van de zinloze goedheid is het geheim van haar onsterfelijkheid. Ze is onoverwinnelijk.

Niemand weet hoe hij zal handelen in tijd van oorlog, maar ik verzet me sterk tegen het idee dat juist dan het slechte in U of mij naar boven komt. Het zou natuurlijk kunnen, maar liever klamp ik mij vast aan dit geloof in zinloze goedheid. Een geloof dat zich niet leent voor empirisch onderzoek.

Zo geloof ik ook (nog steeds) in onbaatzuchtige vriendschap. Of in altruïsme, dat ik niet als verkapt egoïsme zie, omdat het dan geen altruïsme meer is. Ik wil erin geloven. Zelfs al scheldt mijn vriendin me weleens uit, zij het plagend, voor ‘humanist’.

Voeg een reactie toe

Om iets over acht begint Herman Philipse zijn ‘hoorcollege’ in de afgeladen Aula van het Academiegebouw. Zijn thema: Godsgeloof in het tijdperk van wetenschap. Ondergetekende bevindt zich onder de aanwezigen. Op de cd’s die later dit jaar zullen worden uitgegeven kunt U mij horen luisteren. Buiten sneeuwt het, plots. Na afloop blijkt de wereld wit.

Nieuwsgierigheid dreef mij naar dit college, alsook de bescheiden hoop dat Philipse nieuw licht zou werpen op een zaak die mij na aan het hart gaat, namelijk de problemen van het ongeloof. Die hoop vervliegt als mij zijn kernvraag ter ore komt: “Kan een hedendaags goed opgeleid mens redelijkerwijs geloven in het bestaan van God of goden?”

Hierbij definieert Philipse goden als ‘levende wezens die enigszins lijken op menselijke personen maar niet behoren tot enige biologische species.’ Mijn blinde vlek is dat deze enge kijk op geloof nog altijd veel weerklank vindt, en dat de vraag dáárom relevant is. Zelf vind ik het weinig interessant om de Bijbel te toetsen aan de wetenschap. Ik lees hem niet letterlijk.

Na een digressie waarin Philipse aantoont dat religieuze onderzoeksmethoden als gebed of openbaring niet voldoen in de zin van een betrouwbare wijze van waarheidsvinding, komt hij op een in mijn ogen veel boeiender onderwerp, te weten de opties voor een gelovige in ons wetenschappelijk tijdperk. Het zijn er vier, volgens hem.

Met behulp van een zogenaamde beslisboom worden deze opties geïntroduceerd. De eerste vraag die men zich stellen moet is of een religieuze bestaansuitspraak al dan niet een waarheidsclaim is. Indien dat het geval is vrage men zich af of het nodig is een dergelijke claim te onderbouwen. Zo ja, moet dat dan met argumenten die analoog zijn aan die voor wetenschappelijke bestaansuitspraken, of niet? Op een rijtje:

  • gelovige doet geen waarheidsclaim
  • gelovige claimt de waarheid maar onderbouwt dit niet
  • gelovige claimt de waarheid en onderbouwt dit wetenschappelijk
  • gelovige claimt de waarheid en onderbouwt dit anderszins

De laatste optie verwerpt Philipse op grond van zijn eerdere uitweiding over de beperkingen van religieuze onderzoeksmethoden, zodat er uiteindelijk drie mogelijkheden overblijven. Op zijn beurt claimt Philipse de volledigheid van de lijst van opties voor de gelovige. Aan U de vraag of deze differentiatie uitbreiding behoeft.

Terugkomend op mijn vorig stukje biedt de bovenstaande analyse, in al haar stelligheid, natuurlijk wel houvast in een discussie. U kunt het ermee eens zijn of niet, er valt in ieder geval over te praten. En dat maakt haar zeker zinnig, al oogt ze definitief.

Wat ik mij zelf afvraag is of er een verschil bestaat tussen een gelovige zonder waarheidsclaim aan de ene kant, en een ongelovige aan de andere. Valt er überhaupt wel te leven zonder enig geloof? En mocht dit zo zijn, wat zijn dan de opties van die ongelovige als zodanig? Valt hij ook te differentiëren?

U voelt misschien al aan dat ik mij nog eerder onder de eerste optie van het gegeven lijstje schaar dan dat ik mij een atheïst zou willen noemen, ofschoon mijn wereldbeeld wel degelijk wetenschappelijk is. Religie en wetenschap vormen mijns inziens een problematisch huwelijk omdat ze elkaars taal niet spreken, maar dat ontneemt hen geen van beiden het bestaansrecht.

De uitdaging ligt hierin om te formuleren wat nou precies mijn geloof behelst, of wat dan wél mijn definitie van God is. God in de woorden van Philipse is ook voor mij ongeloofwaardig, maar anderzijds is mijn belevingswereld niet aan strakke wetten gebonden.

Wat U?

8 reacties