Iedere ochtend ervaar ik een gevoel van gelukzaligheid als ik fris gedoucht de koelkast opentrek en daar een met liefde bereid bord havermout vind. Dat gevoel wordt enkel overtroffen door de sensatie van de eerste hap, ofschoon de tweede er ook mag zijn. De combinatie van yoghurt, geprakte banaan, gewelde havervlokken, rozijnen, cacao en zo nog een aantal bestanddelen als hennep, gebroken lijnzaad en/of gojibes brengt mij keer op keer in opperste staat van verrukking. Ontroerd en dankbaar denk ik aan degene die dit hemelse ontbijt speciaal voor mij heeft willen maken. Ik voel me vereerd.

Iedere avond, na koken, eten en afwas, wijd ik mij aan het volgende ritueel. Met behulp van keukenweegschaal en een tiental ingrediënten prepareer ik op welhaast wetenschappelijke wijze het perfecte bord havermout dat ik vervolgens afgedekt in de koelkast plaats. Dit alles voor iemand die mij zeer na aan het hart ligt: de Mike van morgen. “Wat hou ik toch van die jongen,” denk ik terwijl ik zo bezig ben. Die liefde is overigens volkomen wederzijds, de Mike van morgen koestert dezelfde warme gevoelens jegens de Mike van vandaag, die hij dan weer de Mike van gisteren noemt, en hoewel ze elkaar nog nooit hebben gezien voorspel ik deze lange afstandsrelatie een rooskleurige toekomst.

Toch zijn er weleens momenten waarop het schuurt. Als ik pas na middernacht thuiskom, het kan gebeuren, en het liefst meteen mijn bed inkruip, voel ik mij toch verplicht om eerst dat bord havermout te maken. “Wees nou eens niet zo streng voor jezelf,” krijg ik vaak te horen als ik over deze en soortgelijke dwangstoornissen vertel. Maar hoe goedbedoeld dit advies ook is, één ding weet ik zeker, de Mike van morgen is het er niet mee eens.

5 reacties

Afgelopen week werd ik uit mijn slaap gewekt door geluiden die ik niet kon thuisbrengen. Ik hoorde driftige stapjes, leek het. Dan iets tikken. En was dat nu gezaag? Alsof een kaboutertje druk in de weer was met zaken die kabouters ’s nachts nu eenmaal doen. Omdat het veel te koud en te donker was om direct op onderzoek uit te gaan zag ik mij genoodzaakt geen oog meer dicht te doen en de ochtend af te wachten.

De volgende dag keek ik per ongeluk uit het raam van mijn slaapkamer op het achterplaatsje van de buren. En daar vond ik de verklaring van mijn doorwaakte nacht in de vorm van vetbollen, pinda’s en strooivoer met eromheen een groot aantal vogeltjes. Ongetwijfeld sloeg mijn kaboutertje dáár zijn slag. Toen ik die nacht opnieuw dezelfde geluiden hoorde, draaide ik me glimlachend om en doezelde meteen weer weg.

U ziet, een mens heeft behoefte aan duiding, daar slaapt ie beter van. En dat gaat op waar het kabouters betreft, maar ook hemzelf. Wie ben ik? Eenmaal bekend met het antwoord op die vraag staat niets je meer in de weg om je te richten op de écht belangrijke zaken des levens. U begrijpt dat ik die hobbel nog niet genomen heb.

Met afgunst kijk ik naar de mens die zegt daar wél voorbij te zijn. Zo hoorde ik iemand eens met droge ogen beweren dat hij eindelijk geworden was wie hij werkelijk is. Hij leek gelukkig. Deze zelfverwerkelijking impliceert dat er iets in je zit dat wacht om ontdekt te worden. Een onveranderlijke kern. Je ware ik.

Ik geloof daar niet zo in. Mijn ware ik is een verhaal. En dat verhaal verandert met de omstandigheden. Sterker nog, ik pas het verhaal aan als de omstandigheden daarom vragen. En zo vertel ik dus niet wat ik ben, maar ben ik wat ik vertel. Dat maakt me enigszins ongrijpbaar, omdat het verhaal morgen weer anders kan zijn. Maar het geeft net genoeg duiding om de nacht door te komen.

2 reacties

Wie het bad laat vollopen maar te lang wacht om erin te stappen krijgt vanzelf koudwatervrees. Dat ik de afgelopen jaren nog geen teen in de tobbe stak zal U niet zijn ontgaan, maar of U ook wist van mijn niet aflatende verlangen om samen met U te spartelen vraag ik me af. Hoe kunt U immers weten wat ik U niet vertel?

Waarom ik het water meed terwijl ik er toch zo graag in zit blijkt lastig te verklaren. Ik vermoed dat ik aan wanen leed. Een voorbeeld van zo’n drogbeeld is het idee dat de badhuizen die ik her en der zag verrijzen mijn eigen kuipje overbodig maakten. Inmiddels lijkt het tegendeel me waar.

Wat mij zonder twijfel ook weerhield is de overtuiging dat U na al die tijd bent heengegaan. U beseft wellicht niet hoeveel U voor mij betekend heeft. Ik koester het verleden maar vrees dat het niet opnieuw geleefd kan worden. Deze confrontatie met vergankelijkheid ging ik uit de weg door het badwater dan maar weg te spoelen.

Maar hoe zit het met het kind?

Ik schrijf om te begrijpen, niet in de laatste plaats mezelf. En dat doe ik op minstens twee manieren. Allereerst jaag ik op mijn gedachten door ze in woorden te vangen, en maak zo concreet wat ik eigenlijk al wist. Maar daarnaast ontstaan er door het schrijfproces, door het taalspel dat ik speel, niet zelden nieuwe gedachten. Vooral deze laatste manier is een vorm van geestelijke hygiëne die ik me iets te lang heb ontzegd, ruik ik nu. Een mens moet zich toch echt wassen op z’n tijd. Desnoods alleen.

7 reacties

Aanloop, sprong, smash. Het klinkt zo simpel, maar de aanval is één van de lastigst aan te leren vaardigheden in de volleybalsport, zo kan ik U als jeugdtrainer vertellen. Ook mijzelf heeft het ooit jaren gekost voordat ik het kunstje echt goed doorhad. Het probleem is dat er bijzonder veel techniek bij komt kijken, waar je tijdens de uitvoering juist niet aan moet denken. Zodra je gaat denken gaat het fout. Maar zonder denken krijg je die techniek weer niet aangeleerd. Ziedaar het vicieuze cirkeltje waar iedere beginnende volleyballer doorheen moet.

Die niet denken maar doen mentaliteit speelt in de meeste sporten een belangrijke rol. De fameuze honkbalwerper Steve Blass kan ervan meepraten. Na tien jaar lang record na record te hebben gebroken, kreeg hij in 1973 opeens geen fatsoenlijke bal meer uit zijn handen. Waarom? Omdat hij begon te denken. Hij kon er niet meer mee stoppen, en moest uiteindelijk zijn carrière vaarwel zeggen. Nog altijd wordt deze afwijking – denken tijdens de sport – de Steve Blass disease genoemd.

Maar nu wordt het interessant. Want als ik in een volleybalwedstrijd niet denk tijdens mijn aanval hoe krijg ik die bal dan langs het blok? Wat doe ik precies in die fractie van een seconde dat ik op het hoogste punt ben, vlak voordat ik de bal raak? Kies ik er bewust voor om de bal een beetje naar links of juist naar rechts te slaan? Ben ik dan niet toch aan het denken?

Misschien heeft U weleens gehoord van de experimenten van de neurofysioloog Benjamin Libet, die wist aan te tonen dat de hersenen onbewust beginnen met een door de mens gewilde verrichting: een fractie van een seconde nadat de hersenen een besluit nemen wordt een mens zich daar pas van bewust. Aha! Laat dat nou net dezelfde fractie van een seconde zijn als het moment dat ik tijdens de aanval in de lucht hang. Mijn hersenen doen dan weliswaar iets, maar ik weet van niets: ik denk niet dus ik scoor.

Sommige mensen worden knap zenuwachtig van de implicaties van de experimenten van Libet. Als er onbewust beslissingen worden genomen kan een mens dan nog wel verantwoordelijk worden gehouden voor wat hij doet? Al slaapwandelend kun je een moord plegen en worden vrijgesproken, maar zijn wij eigenlijk niet allen slaapwandelaars, met alle gevolgen van dien? Nou nee, dat denk ik niet. De meeste beslissingen worden namelijk helemaal niet in een fractie van een seconde genomen, maar gewikt en gewogen. Wij leven op een andere schaal.

Behalve dan tijdens de smash. Hetgeen toch te denken geeft. Ben ik wel verantwoordelijk voor de punten die ik maak?

11 reacties

Is het bestuderen van de geschiedenis van de filosofie ook filosofie? Er zijn mensen die in zo’n geval spreken van filosofologie, en de voorgaande vraag ontkennend beantwoorden. Maar waarom vormt de geschiedenis van de filosofie dan een integraal onderdeel van de studie filosofie? Misschien helpt het om onderscheid te maken tussen de geschiedenis van de filosofie en de geschiedenis van ideeën. Daar waar de geschiedenis van ideeën vooral de nadruk legt op geschiedenis, legt de geschiedenis van de filosofie dat op filosofie. Wie zich het gedachtengoed van, zeg, een Spinoza eigen maakt en daarop reflecteert is wel degelijk bezig met het bedrijven van filosofie. Er is een verschil tussen de man in zijn tijd plaatsen, en de wereld door de bril van diens Ethica zien. Of niet?

Anders dan een harde wetenschap als natuurkunde is filosofie nauwelijks progressief. De wetenschappelijke methode heeft er weinig vat op. Filosofie is vaak niet falsifieerbaar, en daarom heeft het ene wijsgerige bouwwerk even veel (of weinig) bestaansrecht als het andere, ongeacht of het nou om nieuwbouw of een monument gaat. Ik dwaal graag door die stad, met haar grote verscheidenheid aan panden, haar straten en steegjes, maar heeft het dwalen zin? Je komt immers nergens. Och. Ik zou daar voorzichtig tegenover willen stellen: met harde wetenschap kom je niet overal. Hetgeen uiteraard te bewijzen noch te ontkrachten valt.

7 reacties