Godfried Bomans overleed, zoals U ongetwijfeld weet, op 22 december 1971. Dat is dus inmiddels bijna veertig jaar geleden. Men kan van hem zeggen wat men wil, en dat doet men daarom ook, maar vergeten is ie niet. Iedereen kent de heer Bomans, en dat is op zijn minst opmerkelijk te noemen. Immers, talloos zijn de mensen die na hem overleden zijn, maar van wie men niet meer spreekt. En daar zitten heus niet de minsten tussen, hoor! Al wist ik er maar eentje van te noemen, ik zou het zo doen, maar dat is dus de pest met mensen van wie men niet meer spreekt: je vergeet ze. Zo niet Godfried. Hoe komt dat toch?

Misschien heeft het wel iets te maken met zijn verhaaltjes. En dan doel ik niet zozeer op de inhoud ervan, maar op het feit dat hij ze nodig had. Godfried Bomans had verhaaltjes nodig om de wereld te behappen. Liever dan in deze leefde hij in een verzonnen wereld. Een zonnige wereld. En wie doet dat eigenlijk niet? Bomans vervulde die behoefte, voor zichzelf, maar ook voor anderen, en dat is wellicht de reden dat hij zich maar niet vergeten laat.

Een tweede reden werd mij aangereikt door de heer Gehrels. Wie dat is, vraagt U zich af? Welnu, Tom Gehrels is iemand die op een heel andere manier onsterfelijk hoopt te worden, namelijk door niet dood te gaan. Het tekent de eenvoud en rechtlijnigheid van deze man, die haaks staan op de soms onnavolgbare hersenkronkels van Bomans. Toen ik hem onlangs opzocht, de heer Gehrels dus, verried niets van zijn doen en laten zijn werkelijke leeftijd. Ofschoon inmiddels dik in de tachtig schaterde hij als een jonge knaap om zijn eigen grapjes, maar wat mij nog het meest trof was zijn verwondering. Als een kind verwondert Tom Gehrels zich om de wereld. Verhaaltjes heeft hij daar niet voor nodig, de wereld zoals ze is is in zijn ogen al fantastisch genoeg.

Het moment dat Bomans stierf kon hij zich nog goed herinneren, vertelde hij me: “Ja, dat was me wat. Het hele land was in rep en roer. En ook ikzelf was van slag. Godfried was niet zo heel veel ouder dan ik, moet U weten. Opeens leek de dood dichtbij.”

Zijn reactie op deze gebeurtenis was ‘typisch Gehrels’: in plaats van in zak en as te zitten toog hij meteen aan het werk, want “hij moest er iets mee, met de dood.” Tijdens de kerstdagen van 1971 krabbelde Tom Gehrels misschien wel honderd kladpapiertjes vol met berekeningen. Hij legde me uit wat hij deed: “Kijk, Godfried was een goed, zij het wat eigenzinnig katholiek. Ik kon me daarom eerlijk gezegd niet voorstellen dat hij niet in de hemel terecht zou komen. En zoals U en ik weet bevindt de hemel zich ergens boven ons. Ik probeerde nu te berekenen waar precies Godfried moest zijn. Dat ik en passant het bestaan van zowel de hemel als van een leven na de dood zou aantonen was mooi meegenomen, maar in eerste instantie ging het me natuurlijk om Godfried. Ik zette al zijn onhebbelijkheden op een rijtje, evenals al zijn goede eigenschappen, en zo kwam ik tot de exacte coördinaten van zijn plekje in de hemel. Niet te hoog, niet te laag.”

Ik glimlachte om deze geschiedenis. “En, is het gelukt? Heeft U Godfried Bomans nog gevonden?”, vroeg ik hem, met een minzaam knikje. “Zeker wel!”, sprak Gehrels ferm, “Het probleem zat ‘m natuurlijk in de lengte. Zo groot is Godfried nou ook weer niet. Dus op een gegeven moment wist ik wel waar hij zo ongeveer uithing, maar kon ik hem nog niet zien. Althans, niet met een simpel verrekijkertje, en dat was al wat ik had.” Zo goed en zo kwaad hield ik mijn gezicht in de plooi en ik vroeg hem hoe hij dit probleem dan weer had opgelost. Tom Gehrels vertelde me dat hij zijn tandenborstel, een onderbroek en zijn berekeningen in een koffertje stopte, en daarmee naar Californië vloog. Eenmaal bij het Palomar observatorium bleek het een koud kunstje om binnen te glippen, en om heel even door de telescoop aldaar te koekeloeren. De beveiliging was nog niet zo streng, in die dagen. “En ja hoor! Daar zag ik hem, met een pijpje in de mond, en een engeltje op de knie: onze eigen Godefridus.”

“En zo”, vatte ik samen, “ontdekte U de hemel!” Tom Gehrels keek trots. “Maar wat deed U daar dan mee, met die ontdekking?”, vroeg ik door. “Nou, in eerste instantie eigenlijk niets. Ik wist natuurlijk allang dat er een hemel was, dat had ik als kind al geleerd, dus van een ‘ontdekking’ sprak ik niet. Toen nog niet. Later besefte ik pas dat er ook mensen bestaan die helemaal niet in een hemel geloven. Ja, en toen werd het natuurlijk interessant.” Ik keek hem vragend aan. “Ik ging schrijven,” vervolgde Gehrels, “ik meen dat ik wel tachtig brieven heb geschreven. Naar de NASA. Met mijn ontdekking. Eerst wilden ze er niets van weten, maar later draaiden ze bij. Ze moesten wel, want mijn berekeningen waren onweerlegbaar. En anders Godfried wel, op zijn wolkje.” Tom Gehrels lachte. En ik lachte om zijn lach. Gekke man.

Eenmaal thuisgekomen dacht ik met weemoed terug aan mijn eigen jeugd, aan de tijd dat ook ik nog in een hemel geloofde. Ik knipte mijn computer aan, en zocht voor de grap naar de ontdekking van Gehrels. Tja, waar was nou dat harde bewijs? Mijn bek viel open toen ik het uiteindelijk vond. De ontdekking van de ontdekking van de hemel. Boem.

  1. Actiereactie zegt op 30 januari 2010:

    Bummer.. dan bestaat er zoiets als een hard bewijs en dan zie ik het niet, zou God ook van domme blonde meisjes houden denkt U?

  2. mike zegt op 1 februari 2010:

    U bevindt zich in goed gezelschap, mijn waarde. Er zijn er heel wat meer die het niet zien. Maar het is hoe dan ook een mooie fantasie, die ontdekking van de hemel: stel, dat het bestaan ervan ooit daadwerkelijk wetenschappelijk wordt aangetoond. Zou het iets veranderen? Zouden de kranten er bol van staan? Zouden alle atheïsten in één klap bekeerd zijn? Ergens denk ik van niet. De strijd tussen geloof en ongeloof lijkt om veel meer te gaan dan alleen een bewijs.

    Overigens heb ik van horen zeggen (Tom Gehrels) dat God nog een goeie fotograaf zoekt. Me dunkt dat Hij U wat graag zou willen hebben (maar ik hoop toch dat Hij daar nog even mee wacht).

    Wat mij verder nog opviel is dat Bomans in 3,45 jaar om de zon draait. In de hemel gaat de tijd dus langzamer dan op aarde! Of U daar dus rekening mee wilt houden (in verband met sluitertijd en dergelijke).

  3. Jeremy Llewiff zegt op 1 februari 2010:

    Dank, voor dit eenheidje verhaalontstijgend plezier.

  4. Actiereactie zegt op 5 februari 2010:

    :-) God don’t like my dirty feet..

    Overigens denk ik dat het aantonen van de hel meer effect zal hebben, angst is altijd een goede drijfveer immers. Ik stel dan ook voor dat U mij na mijn verscheiden tracht te traceren.

    Typisch dat de tijd langzamer gaat in de hemel, dat terwijl we dan toch al de eeuwigheid hebben.. wie zegt dat God geen humor heeft?