Het bruidje was mooi van jongheid. Zopas getrouwd in de Sint Carolus Borromeuskerk poseerde ze met haar man op het Hendrik Conscienceplein. De zon straalde, speciaal voor haar. Ze bewoog in een roomwitte droom. Enigszins onwennig zocht ze naar de juiste plek. De fotograaf gaf aanwijzingen.
De felblauwe ogen van haar man keken langs de frêle verschijning van het meisje dat hij nu zijn vrouw mocht noemen. Het plein was vol met hippe mensen, strak gekleed en uitbundig gekapt. Zijn eigen pak contrasteerde magnifiek met zijn samengebonden, blonde dreadlocks. Er werd vinyl gedraaid door een DJ.
Negentien waren ze, misschien twintig. Kinderen nog. De fotograaf vereeuwigde hen. Het bruidje lachte haar van tevoren geoefende lach, op haar wangen een blos van geluk. De mooie jongen, haar man, leek precies zo stoer als hij wilde zijn. Het tafereel had iets liefs en iets tragisch.
Juist op dat moment was ik op het Hendrik Conscienceplein. Niet eerder zag ik deze mensen, nooit zou ik ze weerzien. Tot mijn eigen ongenoegen matigde ik mij een oordeel aan. Ik kon er niets aan doen. Te jong vond ik ze, te onervaren. Ze waren nog niemand, maar toch een voorbeeld voor elkaar. Het maakte me bang.
‘Wanneer ben je iemand?’, vroeg ik me later af. Nu pas begin ik zelf het gevoel te krijgen dat ik ergens voor sta, en ik ben allang geen twintig meer. Hoe komt dat? Simpel. Ik ben inmiddels gekneed en gekerfd door ervaringen, zowel plezierige als pijnlijke. Ontgoocheling hoort daarbij.
Ik heb mijn mening dan ook herzien, en wens het echtpaar met terugwerkende kracht alle geluk. Ze doen het goed, al gaan ze verkeerd.
Wie van het station naar het oude centrum van Antwerpen loopt kan moeilijk om De Keyserlei heen. In weerwil van haar statige naam is de deftigheid van deze straat ver te zoeken. Geen winkel nodigt uit. Men verkoopt er diamanten en hamburgers. Het pand op nummer 52 is er één als vele anderen.
Alfons Jozef de Ridder, roepnaam Willem Elsschot, werd op 7 mei 1882 als zoon van de bakker op De Keyserlei 32 geboren. Niets van de omgeving brengt deze gebeurtenis in herinnering. De historie wordt overschreeuwd door het nu. Willem Elsschot scheet er dan wel zijn luier vol, de geur is lang en breed vervlogen. Nummer 32 telt heden ten dage als 52. De warme broodjes zijn verwisseld met ijs.
Ik sta even stil bij dit geboortehuis, kijk omhoog en hoor de kleine Fonne krijsen. Ben ik nou de enige die het merkt? Het lijkt er wel op. Een menigte schuifelt langs. Voorbijgangers staan nooit stil.
Eenmaal in de oude stad warmt mijn hart zich aan de zeventiende eeuwse pandjes die her en der dapper standhouden, en met een schok besef ik dat vergankelijkheid niet van alle tijden is. Huizen van vijftig jaar oud gaan tegen de vlakte om plaats te maken voor nieuwbouw. Eén blik op de prefab constructies en je weet dat ook zij geen lang leven beschoren zijn. Temidden van al deze tijdelijkheid behoudt de Gouden Eeuw echter haar glans. Ergens, ooit, zijn we het vermogen verloren om iets blijvends te bouwen.
Terug op De Keyserlei zwaai ik nog eens naar Fonne. Hij is stil. Op een paar passen van zijn ouderlijk huis protst er een Mediamarkt. Kopers worden gelijmd door jonge Laarmansjes. Ze bakken lucht, verder niets.
De heer Nabokov is dood. Al een tijdje. De ouwe snoeper liet mij een mobiele telefoon na, vol met berichtjes. Voor de grap las ik er een paar. Holy fuck! Ze deden mijn oren kleuren. Blijkbaar ben ik niet de enige die zijn teerbeminde met oneerbaarheid bestookt. Pareltjes van inventiviteit, maar zeer zeker niet voor mijn ogen bestemd. Mág ik ze wel lezen?
Zo kende ik de heer Nabokov helemaal niet. Achter zijn immer stoïcijns gelaat ging, achteraf gezien, een vurige passie schuil. Het is net alsof ik nu pas, na zijn dood, geconfronteerd word met de échte heer Nabokov. Een beetje laat, maar beter dan nooit? Ik betwijfel het. Als de heer Nabokov had gewild dat ik wist wie hij was dan had hij mij zich zelf wel laten zien.
Het is een vreemde gedachte dat iemands dood openheid van zaken legitimeert. Als de heer Nabokov nog leefde, dan had ik het wel uit mijn hoofd gelaten om zijn diepe gronden te doorwroeten. Toch valt het mij zwaar om z’n berichtjes te wissen. Net of ik hem nog doder maak dan hij al is, maar dat kan natuurlijk niet.
Het gebeurt niet vaak dat een film met zoveel gemak de poten van mijn stoel verzaagt als gisteren het geval was. Behaaglijk in mijn zetel genesteld startte ik Fight Club om uiteindelijk op de grond te eindigen. Het thema van de man die het leven dat door zijn vingers glipt probeert te grijpen klinkt wellicht wat afgezaagd, de briljante uitwerking was dat allerminst. Zonder al te veel van het verhaal weg te geven kan ik U vertellen dat de grootste tegenstander in dit gevecht niemand minder bleek dan de man die het aanging. Wie zich niet met zijn leven kan verzoenen zit zichzelf in de weg.
Eens te meer dacht ik aan mijn eigen ervaringen van ruim een jaar geleden, toen ik moederziel alleen ergens op een industrieterrein bivakkeerde. Met dodelijke ernst had ik de maatschappij de rug toegekeerd, omdat ik er stellig van overtuigd was dat de mens door conventies aan banden wordt gelegd. Ofschoon ik destijds in de afgrond heb gekeken, weet ik nu dat er altijd een vangnet is geweest. Het is makkelijk om af te geven op een veilig leven, maar niemand komt echt verder dan flirten met gevaar. Wie daadwerkelijk alle banden met zijn omgeving verbreekt gaat kapot, zoals ik ook gisteren weer zag.
Het neemt niet weg dat ik in die periode van eenzaamheid meer gegroeid ben dan in de jaren ervoor. Ik herinner me dat ik mezelf beloofde om het gevoel van luciditeit waar mijn hele wezen van doortrokken leek nooit meer kwijt te raken. Ik dacht dat ik, eindelijk, leefde. Heden ten dage voel ik me anders, even levend maar niet als toen. Toch heb ik ook nu weer het voornemen om vast te houden wat er is, wie ik ben, alleen of samen. Gek eigenlijk, want leven is toch groeien, en dat is iets wat per definitie niet zonder veranderen kan.
Vierentwintig uur nadat ik getuige was van de dood van Ivan Iljitsj reed ik naar mijn werk, en begluurde ik de bestuurders van de auto’s die zich net als de mijne hortend en stotend voortbewogen in een drukke ochtendspits. Ik had hoegenaamd niets met hen, maar was toch één van hen, en vroeg me af of zij zich net zo ontheemd voelden als ik, hoewel ik het me eigenlijk niet kon voorstellen. Met de dood voor ogen ga je niet in de file staan. Zij, de anderen, waren zich vermoedelijk niet bewust van hun sterfelijkheid. Dat ik er stond was een foutje.
Er bestaat geen eenzamere bezigheid dan sterven, en daarom denkt men er liever niet aan. Ten onrechte, als U het mij vraagt, want juist omdat men er tevoren niet aan denkt, is het zo ontstellend eenzaam voor degeen die ermee bezig is. Ieder mens waant zich onsterfelijk totdat hij met zijn eigen dood geconfronteerd wordt. Hij sterft dus temidden van onsterfelijken, temidden van mensen die tijd genoeg hebben om in de file te staan.
Denken aan de dood doet echter leven. Elke norm blijkt betrekkelijk in het licht van de eigen eindigheid. Zoals het hoort is niet zoals het moet. Waar het om gaat is wat je wilt, om eigenheid. Iedereen is iemand. En de eeuwige twijfelaar bestaat niet: ook hij gaat dood. U heeft dus zelf de keuze: filerijden of bloemen plukken, om eens wat te noemen. Ik reken op U, en op een rustige avondspits.
Over drie maanden verhuis ik voor de vijfde keer in twee jaar, maar nu écht! Met moeite wrijf ik slaap en ongeloof uit mijn ogen, en zie de toekomst stralen. Onzekerheid vreet energie, vandaar mijn moeheid. Wekenlang durfde ik er nauwelijks op te hopen, maar het moment is gekomen dat ik ervan uit moet gaan dat het doorgaat om het door te laten gaan. Tussen wens en werkelijkheid gaapt een ongewisse kloof, maar ik spring van blijdschap. Een gat in de lucht.
Het is misschien een tikkie voorbarig om mijzelf als alcoholieker te bestempelen, maar eerlijk is eerlijk: ik heb iets met wijn, en wat niet is kan nog komen. De dagen waarop ik geen glas ledig zijn inmiddels in de minderheid, moet ik U bekennen. Omdat ik naast het effect van wijn tevens op de smaak ervan gesteld ben kunt U zich voorstellen dat deze liefhebberij onderwijl aardig in de papieren begint te lopen. Kostelijk is iets anders dan kosteloos, wil ik maar zeggen.
De pest is dat er zóveel verschillende wijnen te koop zijn dat een normaal mens al snel door de bomen het bos en door de ranken de gaard niet meer ziet. Een dure wijn kan af en toe flink tegenvallen, een goedkope mee. Zelfs onder de zogenaamde omfietswijnen is de kwaliteit wisselend. Daar komt nog bij dat ik onlangs een fles wijn heb mogen savoureren waardoor mijn buik subiet bevlinderd werd, zo subliem was ie. Juist deze wijn valt natuurlijk net buiten mijn dagelijks budget.
De strekking van mijn betoog is duidelijk: goede wijn behoeft wel degelijk een krans. Het is mij inmiddels zonneklaar dat prijs en etiket helemaal niets te betekenen hebben, en daarom wil ik mij graag op U, mijn gedistingeerd publiek, verlaten. Welke wijn raadt U mij aan? En waar is ie te koop? Uw lyrische proefnotities kunt U met gerust hart op het reactieformulier kwijt, en ik beloof U elke fles te ledigen en van een annotatie te voorzien.
Het zit zo. Hoe langer je zwijgt hoe lastiger het is om weer eens wat te zeggen. Dat is het enige excuus voor het moordend tempo waarin de meeste weblogs worden volgespuugd. Wie zijn mond houdt heeft immers tijd om na te denken en moet daarom wel met iets zinnigs voor den dag komen. Een helse dwang, alom gevreesd.
Met de fluim van vandaag wil ik laten zien dat het ook anders kan.
Als Gerrit Komrij Gerrit Komrij niet was werd zijn weblog nauwelijks gelezen. Alleen door zijn naam brandt de lucifer, daar ben ik stellig van overtuigd. Gerrit is een speld die zonder Komrij nooit gevonden wordt, en nóg vat het hooi maar moeilijk vlam. Hoe komt dat toch?
Ruim 160 jaar geleden maakte Sören Kierkegaard zijn bedenkingen omtrent de pers kenbaar. Ze zijn in mijn ogen nog steeds relevant, zeker als we ze op het internet betrekken. Kierkegaard stelde zich teweer tegen de nivellering die de media in de hand werken.
Een weldenkend mens als U is bekend met de wrede tirannie van de middelmaat: de publieke opinie wordt gevormd door de meerderheid, maar gek genoeg voelt U zich maar zelden vertegenwoordigd door dat publiek. Elke individuele stem gaat verloren in de massa.
Als U hier Uw schouders over ophaalt dan zijn we bij de kern van het probleem, want het is juist het schouderophalen waar Kierkegaard tegen fulmineert. De media brengen U informatie over zaken waar U zonder die media niet van had geweten. In feite ligt het allemaal buiten handbereik, en door die afstand is iedere mening vrijblijvend. Niets doet er écht toe. Men lult maar wat.
Is er nog hoop voor de non-conformist die wél wil vechten voor de dingen waar hij in gelooft? Kierkegaard wijst ons op de enkeling die zich boven het algemene verheft, en dientengevolge niet meedoet aan het publieke debat. Tja, daar ga je dan met je weblogje.
Vooralsnog wil ik me niet terugtrekken, maar zonder ploeteraars als ondergetekende hou ook ik het hier niet uit. Ik lul niet zomaar wat. Waar zijn de onaangepasten die zichzelf laten zien? Waar is dan het bloeiend discours? Waar het elitepubliek? De gecommitteerden?
Met de komst van het internet mag de drempel der communicatie lager liggen, de gemiddelde mens struikelt er des te harder over.
Gerrit Komrij is net als U uitgenodigd om deel te nemen aan dit gesprek, en het is een belangrijk gesprek. Niemand wil toch leven in een wereld waar slechts de hardste schreeuwers worden gehoord? Naar mijn idee heeft U dat zelf in de hand.
De schade ruimschoots ingehaald is het makkelijk praten over de beproeving van mijn knapenjaren, maar toentertijd piepte ik wel anders. Het was een ramp. Anders dan ikzelf moest de eerste keer nog komen, niet in het minst prematuur. Ik hunkerde naar vrouw, maar er was alleen maar meisje, dromend van de man die ik niet was of wilde zijn. Mijn naam, de Onbegonnene.
Jongen, laat je niet kennen!
Als ik ergens naar verlangde was het juist mezelf laten zien. Vrijen met vrouwenogen. Doen wat geen man vermag: zijn masker af. Het is zo triest dat dat niet hoort, laten voelen wie je bent. Slechts de knaap mag zich getroost wanen met de gedachte dat er zelfs vaders en moeders bestaan die het nog nooit hebben gedaan.
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
oktober 2006
september 2006
augustus 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
december 2005
november 2005
oktober 2005
september 2005
augustus 2005
juli 2005
juni 2005
mei 2005
april 2005
maart 2005
februari 2005
januari 2005
december 2004
november 2004
oktober 2004
september 2004
augustus 2004
juli 2004
juni 2004
mei 2004
april 2004
maart 2004
februari 2004
januari 2004
december 2003
november 2003
oktober 2003
september 2003
augustus 2003
juli 2003
juni 2003
mei 2003
april 2003
maart 2003
februari 2003
januari 2003
december 2002
november 2002
oktober 2002
september 2002
augustus 2002
juli 2002
juni 2002
mike(at)mikz.net