mikzlog
vrijdag 26 juni 2009

Levenskunst

Twee maanden geleden schreef Leif Eriksson mij: “Het blijft een noodzaak om van theoretisch perspectief te kunnen wisselen en een kunst (geen ambacht) om te weten wanneer welke theorie het meest op zijn plaats is.” Gekke Viking, dacht ik nog, maar zijn opmerking vrat zich vast in mijn piepende brein. Kunst of ambacht, dat maakt nogal een verschil! Een al dan niet ontsokkeld wereldbeeld.

Zo lang ik mij kan heugen leun ik nu eens op alfa, dan weer op beta. Een echte keuze maak ik niet. Taal en logica zijn mij even lief, vandaar dat ik vaak op twee gedachten hink. Toch wil ik graag geloven in een diepste grond, een diepste logische grond wel te verstaan, waarop de rest van mijn denken is gefundeerd. En als ik mij niet sterk vergis bent ook U daartoe geneigd.

Kunst krijgt in dit mentale bouwwerk een eigen kamer, een hele verdieping desnoods, maar het blijft door rede omgeven. Het wordt benoemd. Leif Eriksson draait het om: het gebouw staat op drijfzand. Als U wilt denkt U er gewoon een ander voor in de plaats. Dat die gedachte bij nader inzien zo gek nog niet is, besefte ik onlangs, toen ik mij voor een gelijksoortige tweesprong geplaatst zag.

Bij tijd en wijle (de laatste tijd dikwijls) beleef ik plezier aan het schrijven van code: ik programmeer, en ervaar dat als een welhaast meditatieve bezigheid. Door middel van scriptjes neem ik mijzelf werk uit handen, waardoor ik tijd win, zodat ik weer scriptjes kan schrijven. Ook als U nog nooit geprogrammeerd heeft weet U ongetwijfeld dat er vele talen zijn waarin men hetzelfde zeggen kan.

Tot voor kort was de taal die ik bezigde voornamelijk Perl, eind jaren tachtig door de linguïst(!) Larry Wall ontwikkeld, en ook wel ‘the Swiss Army chainsaw of scripting languages’ genoemd. Larry Wall propageert het idee dat er meer dan één manier is om iets te doen, en dat is meteen zowel de kracht als de zwakte van Perl. De taal is dermate flexibel dat ze gemakkelijk tot onleesbare code leidt. Van de andere kant zijn veel Perl-programmeurs juist trots op hun meest ingewikkelde bouwsels: ze noemen het kunst.

Momenteel verdiep ik mij in een andere taal, genaamd Python, begin jaren negentig door de wiskundige(!) Guido van Rossum ontwikkeld. Het is niet de minste taal: de Google zoekmachine maakt onder haar motorkap gebruik van Python. Anders dan Perl is Python veel strenger, merk ik: er zijn niet zo heel veel manieren om iets te doen, buiten de juiste. En dat laatste charmeert mij. Programmeren in deze taal is eerder een ambacht (geen kunst).

En zo werd de prikkelende uitspraak van Leif Eriksson in een heel ander maar niet minder fascinerend licht bewaarheid. Niet de code zelf, maar het idee erachter, dát is de kunst. Daar zijn geen regels voor. Zoals dat ook voor een goed geschreven stukje geldt.


vrijdag 12 juni 2009

Op drift

Vroeger, toen ik mijn broertje, twee jaar jonger maar een kop groter, nog dagelijks tegen het lijf liep, omdat wij beiden het ouderlijk nest nog niet ontvlogen waren, speelde ik het volgende spel. Ik wachtte. Ik wachtte het juiste moment af – het juiste moment was altijd een onverwacht moment – en als dat moment dan gekomen was, dan gaf ik hem een klap waar een normaal mens knock-out van gaat. Zo dus niet mijn broertje. Hij grijnsde in zo’n geval. “En nu ik”, zei hij dan.

Die woorden brachten in mij een adrenaline-bom tot ontploffing, en daar was het me vermoedelijk ook om te doen. Mijn actie was niet te rechtvaardigen, en mijn kleine grote broertje had natuurlijk alle reden om mij tot moes te meppen. Het volgende moment vocht ik voor mijn leven, er diep van binnen wel van overtuigd dat hij evenveel van mij hield als ik van hem. We stoeiden om het stoeien.

Later paste mijn broertje, psycholoog in de dop, andere technieken toe. Gaf ik hem een doodsklap, dan liet hij met de inmiddels bekende grijns en drie woorden de bom ontploffen, en vervolgens deed hij … niets. Glimlachend bekeek hij dan de fysieke en mentale ravage die de explosie teweeg had gebracht: de adrenaline gierde door mijn lichaam, en ik was moreel volkomen in de war. “De afstraffing hou je tegoed”, deed hij er nog een schepje bovenop. Wat een straf!

Dat het nog weer anders kan bracht ik zelf laatst in praktijk, toen de klap vanuit wel heel onverwachte hoek kwam. De vrouw met wie ik huis en leven deel haalde het in haar lieve hoofdje om mij een stomp te geven. Ik draaide me naar haar toe, en herkende in haar geschrokken ogen meteen hetzelfde speelse verlangen dat mij ook weleens bevangt. Haar verhitte gezicht en versnelde ademhaling wonden mij enorm op. Een glimlach kroop mij rond de lippen. “En nu ik”, zei ik.


donderdag 4 juni 2009

Vooruitgang

Techniek mag dan bijzaak zijn, maar oh, oh, oh, wat een genot is het toch om mijn zaakjes op Linux te regelen. Ondergetekende is voorgoed ontwaakt uit de dogmatische sluimer die Windows heet, sinds hij enige tijd terug, op 17 mei van het jaar onzes Heeren 2009 om precies te zijn, de harde schijf van zijn thuis-pc schoonpoetste, en er Vista voor Ubuntu verruilde. Nooit keer ik weerom.

De enige vraag die prangt is waarom ik dit niet jaren eerder heb gedaan, maar tot op heden wint de nerd het van de psycholoog in mij: hij telt zijn zegeningen. Eens de grens gepasseerd oogt de wereld anders, maar ook alleen dan. Ik kon het gewoon niet weten. Zomin als ik begrijp waarom U twittert als U twittert, alleen omdat ik het zelf niet doe.

Waar het nu om gaat is dat ik er weer lol in heb, in die computer, en alles wat ie kan, want dat blijkt meer dan ik voor mogelijk hield. En dat brengt ons weer bij de aloude vraag of het aanbod de vraag bepaalt of andersom. Het is nou net het verschil tussen progressief en conservatief. Ik dacht eraan toen ik onlangs Google Wave gelanceerd zag worden, duidelijk een gevalletje aanbod zonder vraag, waar mijn bek hoe dan ook van open viel. De nerd in mij wachten gouden tijden, zoveel staat vast. En ach, de psycholoog, die trekt wel bij.


woensdag 3 juni 2009

Het aquarium

De zon scheen fel die dag. Het was drukkend in het aquarium, de kamer met ramen die niet open wilden. Voor je plezier zat je er niet, dit was het echte werk: er moest geschreven worden. Vier studenten tikten er hun laatste studiepunten bij elkaar. En dan had je Kruiper nog, de eenling, wiens klamme handen onwennig een toetsenbord bevochtigden. Als een vis op het droge voelde hij zich, achter deze computer, op de natuurkunde-faculteit.

Even had hij nog overwogen om zijn afstudeerscriptie met de hand te schrijven, uit een koppig soort trots. Zijn handschrift was fraai, uitzonderlijk fraai, dat was het probleem niet, maar zijn begeleider wilde er niets van weten, die was heel wat minder romantisch dan Kruiper. En zo was Kruiper gedwongen om dagelijks naar het aquarium te fietsen, de gemeenschappelijke ruimte van de vakgroep, waar een van de computers geduldig op hem wachtte. Zelf bezat hij er geen.

Het was in die hete zomer van vijfennegentig dat Kruiper zijn eerste mail ontving, een gebeurtenis die alles veranderde. Vanuit Utrecht kwam het epistel, een dag tevoren aangekondigd per telefoon, opdat hij hem niet zou missen. Het was een prachtverhaal, speciaal voor hem geschreven. Kruiper lachte bij lezen breeduit, er wel voor wakend geen geluid te maken, de andere visjes mochten eens denken. Als dit allemaal mogelijk was, dan waren die computers helemaal zo gek nog niet! Weg was het eerdere ongemak, opeens voelde hij zich thuis in het aquarium, omdat hij nu ook de zee kon ruiken. De guppy Kruiper werd gehaaid.

Het kostte hem een kleine week en tientallen pogingen om de mail te retourneren. Het Spartaanse besturingssysteem waar de vakgroep zich van bediende vereiste kennis van zaken die Kruiper niet had. Maar hij had gezien dat het kon, en rusten zou hij niet eer hij ook. Er kwamen meer mailtjes binnen, allen uit Utrecht, in toon gelijk Brusselmans, zoals twintigers schrijven. Ze kleurden zijn dagen, en deden hem zijn scriptie vergeten. Al wat hij terugschreef werd gewist voor verzending, tot het moment dat hij zijn editor niet meer met :q maar met :wq afsloot. Toen was Kruiper volwassen.

Hij versloeg de sfeer in het aquarium, schreef over de visjes en zijn hardnekkige idee dat ze stiekem over zijn schouder meelazen, terwijl ze inderdaad stiekem over zijn schouder meelazen. Op zijn beurt keek Kruiper door de ogen van onze trouwe verslaggever in Utrecht naar de meisjes op de letteren-faculteit. Deze onderstroom zoog hem mee, en werd allengs krachtiger. Kruiper schreef brieven, urenlang. De scriptie deed hij erbij.

Na zijn studie werd Kruiper beroepszwemmer. Wat hij ook deed, altijd was er water. Al snel kon hij zich niet meer voorstellen hoe hij moest leven zonder. Er groeiden kieuwen achter zijn oren. Hij wisselde geregeld van aquarium, maar nooit zonder uitzicht op zee. De ingenieur kreeg betaald voor zijn waterwerken, maar wist diep van binnen donders goed wat hem werkelijk dreef. Niet de techniek, hoeveel plezier hij daar inmiddels ook aan beleefde. Niet de techniek, maar dat andere.


zondag 24 mei 2009

Een dief in de nacht

En zo vond ik mijn auto terug, opengebroken, ruit ingeslagen, kofferbak leeg. Ongeloof week al snel voor paniek. Mijn digitale leven ligt op straat, schoot het door me heen. Ik kon niet overzien wat ik nou precies allemaal kwijt was, maar mijn laptop vergeet minder snel dan ik, en die was weg. Net als de klauwen met geld die ik zojuist in de automaat van de bewaakte parkeergarage had gekieperd. Alles weggegooider dan ooit.

Diezelfde nacht nog kwam de woede. Van het machteloze soort, een woede die zich geen weg weet, een roofdier in gevangenschap. Ik deed geen oog dicht. Deze gekooide woede zette haar tanden in mijn mensbeeld, en nog voor de nacht halverwege was, leek mijn vertrouwen doodgebloed. Ik had het altijd verkeerd gezien. De mens is verdorven, en daar moet ik mij tegen wapenen. De tong des waanzins likte mijn oorlel, en tegen de ochtend was ik in staat om op Geert Wilders te stemmen.

Later, het drama voltrok zich twee weken geleden, greep ik mezelf bij elkaar, en zag ik in dat niet de wereld maar mijn houding jegens die nog altijd zelfde wereld veranderd was. Hoe ik mij daartoe verhoud is een keuze die volledig in mijzelf besloten ligt. Alleen als ik dat wil, verlies ik mijn onschuld. En ik besloot dat niet te willen.

Ieder mens wordt voortdurend geconfronteerd met deze discrepantie: hoe de wereld is en hoe die zou moeten zijn. De een zoekt de bron van deze discrepantie binnen, de ander buiten zichzelf. Ik ben niet als de anderen. De wereld is mijn wereld, en dat zal ze altijd blijven. Overigens gaat deze bespiegeling verder dan een gestolen laptop: wie spreekt over het failliet van de Grote Verhalen zoekt de bron van de discrepantie buiten zichzelf. Ook hem beklaag ik.

En zo vond ik juist mijn weblog terug, onaangeroerd, kofferbak bomvol. Ik draaide de sleutel in het contact, en daar ging ie. Zonder problemen. En als vanouds gooide ik mijn innerlijk leven zomaar op straat.


woensdag 29 april 2009

Communicerende vaten

“Waarom zegt U mij niets?”
“Moet ik daarop antwoorden?”
“Ik vraag het U.”
“Is de stilte dan niet veelzeggend?”
“Dat weet ik niet.”
“Welnu, het is mij om het even.”
“Wát is U om het even?”
“Al dan niet zeggen wat ik denk.”

“Ik mis Uw verhaal.”
“Mijn verhaal zit in mijn hoofd, als altijd.”
“Maar daar kan ik niet bij.”
“Zomin als ik bij het Uwe. Wat is het probleem?”
“Ik wil dat U Uw verhaal vertelt.”
“Waarom zou ik? Mijn verhaal ken ik al.”
“Maar ik nog niet!”
“Wat heeft U met mijn verhaal te maken?”

“De wereld heeft verhalen nodig.”
“Meer dan dat hebben verhalen de wereld nodig.”
“Ik luister.”
“Een verhaal hoeft niet verteld te worden om te bestaan.”
“Hoe wéét ik dan van dat bestaan?”
“Zolang er leven is zijn er verhalen.”
“En ze moeten verteld worden!”
“Ik zie nog steeds niet in waarom.”

“Bent U dan niet bang voor de leegte? Het niets?”
“Zoals ik al zei, zolang er leven is geen leegte.”
“Mijn leven is leeg zonder Uw verhaal.”
“Is dat niet een beetje teveel eer?”
“Zoals U is er maar één, Mijnheer.”
“Zoals wie dan ook is er maar één.”
“Goed dat U het zegt.”


woensdag 11 maart 2009

Het verhaal der verhalen

Ze houdt zielsveel van de man die niets is zonder zijn vrouw, haar man. Die liefde toont zich in zijn werk, dat zich misschien nog wel het best laat omschrijven als visuele filosofie. Skazka skazok (de Russische titel is te mooi om te vertalen) heet de animatiefilm, die laat zien waarvan men niet spreken kan. Francesca Yarbusova, de vrouw van het genie, schept de wereld die haar man tot leven brengt. Zij maakt de figuren, tekent, schildert ze, en hij laat ze bewegen met behulp van een ingewikkelde constructie van glasplaten, wieltjes en touwtjes. Allesbehalve een computer. De gouden slak, zoals Yuri Norstein weleens wordt genoemd, is maanden bezig met één minuut film, en het resultaat is dan ook verbluffend.

Een week geleden wees Mijnheer Lijstje mij op Egel in de mist. Tot op dat moment was Yuri Norstein mij onbekend, maar sindsdien is hij in mijn gedachten, niet in de laatste plaats door zijn huidige project: al meer dan vijfentwintig jaar werkt hij aan de mooiste animatiefilm aller tijden, De mantel, naar een verhaal van Nikolaj Gogol. De gouden slak heeft inmiddels een half uur voltooid, en is daarmee op de helft. De tijd dringt echter, want Yuri is nu zevenenzestig. Ik stel me deze baardige Rus soms voor, ’s ochtends aan het ontbijt, in alle rust, zijn vrouw aan zijn zijde, terwijl hij de dag die komen gaat bespreekt. Een dag die lijkt op alle andere, en die hij beleeft alsof het zijn laatste is. Samen met Francesca, zonder wie hij niets is. Zij is de liefde van zijn leven, en dat is al wat telt.


woensdag 4 maart 2009

Zomerzucht

Vannacht werd ik om vier minuten over vijf bruut besprongen door een Canadese dame. Slapen was er daarna natuurlijk niet meer bij. De vunzige details behoeven een inleiding die ik U niet zal onthouden. Het voorspel ving namelijk reeds drie weken geleden aan, toen mijn plannen voor de zomer vorm begonnen te krijgen.

Ik wil naar Frankrijk gaan, net als twee jaar geleden. Alleen van de gedachte, zonnebloemgeel op hemelsblauw, word ik al blij. Opdat niets mijn geluk in de weg zal staan leek het me wijs mijn taalkennis wat op te vijzelen. Fransozen moet je kort houden, immers. Dit jaar zal ik tot de tanden gewapend afreizen.

En zo buig ik mij nu al enige weken avond aan avond over de zelfstudie, om te oogsten wat er tijdens mijn middelbare schooltijd gezaaid is, en meer dan dat. Het moet natuurlijk allemaal wel leuk blijven, vandaar dat ik ook wat buitenschoolse activiteiten heb bedacht, met name het beluisteren van musique.

Het is niet fraai, ik weet het, maar sindsdien vergrijp ik mij twee keer per dag aan zuchtmeisjes. Verstaan doe ik ze nauwelijks, maar allejezus, geil zijn ze wel! Ik doe het in de auto, van en naar mijn werk, niet geheel zonder gevaar overigens, want rijden met twee versnellingspookjes is allicht vragen om ongelukken.

Een bescheiden speurtocht op internet leverde mij ettelijke honderden meisjes op, en die heb ik allemaal op een cd’tje gebrand. Ik sta tegenwoordig graag in de file. De verzameling is uiteraard tamelijk bont, en zo kan het gebeuren dat ik, tussen al het gezucht en gesteun door, verrast word door een heel ander geluid.

En wat wil het geval? Juist dit ándere geluid greep mij onverhoeds bij de lurven: het schaamteloos vrolijke Dans l’au-delà van Catherine Major. Jawel, uit Canada. Ik hoorde het, ik hoorde het nog een keer, en inmiddels hoor ik het zelfs als mijn mp3-speler uit staat. Het is een ramp!

Ik schrok me werkelijk un petit chapeau toen dit liedje vannacht om vier minuten over vijf luid door mijn slaapkamer schalde. Tevergeefs stopte ik mijn oren dicht: Catherine Major zat in mijn hoofd, woord voor woord. 1-0 voor de fransozen, dus. Maar ik geef de strijd niet op! Het belooft een hete zomer te worden.


donderdag 26 februari 2009

Even terug

In den beginne, een jaar of zes geleden, toen ik nog druk bezocht werd omdat weblogland zo klein was, schreef ik uitsluitend voor de goede verstaander. Zij bleek echter niet alleen te zijn, hetgeen mij aangenaam verraste. Velen met mij schreven met de tong in de wang drie lagen diep. Zo kon het gebeuren dat je je allerzielste roerselen blootlegde in een cryptische reactie op een stukje waarin de schrijver soortgelijks deed.

Je hoefde elkaar niet altijd te begrijpen om te verstaan.

Die sfeer van diep mysterieuze vertrouwelijkheid was tamelijk verslavend. Je wist dat men wist dat je hoog spel speelde, maar te vrezen had je niets. Dát het ergens over ging bleek belangrijker dan waar het nou precies over ging. En wie wel begreep waar je het over had hield haar mond. U die zwijgt weet exact wat ik bedoel.

Vannacht kreeg ik vanuit het niets een mailtje van iemand uit die tijd, en verdomd, die sfeer, dat gevoel was er weer. Voor mij is dit epistel pure poëzie, vandaar dat ik het U lezen laat. Geacht publiek, U boft maar weer.

> Can you blame me?
> Yes.

Blijft lastig.

- W


donderdag 19 februari 2009

Gat in de markt

Socrates was zo U weet gewoonlijk op de agora (marktplaats punt gr) te vinden, om aldaar de jeugd te bederven. Tegenwoordig noemen we een dergelijke plek in modern Latijn een forum, en hoeven we er zelfs de deur niet meer voor uit. Het internet is er immers vol van, met dit verschil dat de jeugd heden ten dage geen Socrates meer nodig heeft om te bederven. Dat kan ze helemaal zelf.

Ik moet U bekennen nog nooit aan een forumdiscussie deelgenomen te hebben. Als ik er al eens langs sjees, valt het niveau me meestal een beetje tegen. Het concept van zo’n forum vind ik niettemin alleraardigst, en ik kan me bijna niet voorstellen dat er geen hele goeie bestaan. Alles staat of valt natuurlijk met de deelnemers, maar er zijn er vast meer als ik.

Kent U ze?