Wie het langst zijn mond kan houden.
Iedereen kent dat wel. Zo’n moment waarop je plotseling iets beseft dat voor jou heel belangrijk is, maar voor een ander triviaal. Terwijl je zelf erg gelukkig bent met je ontdekking, kun je je blijdschap nauwelijks delen. Wij spreken van een groeistuip. Een ontworsteling aan ingesleten gewoontes die veelal aan de persoon gebonden zijn.
Zo ging ook mij onlangs een lichtje op. En wel ten aanzien van mijn zogeheten kritisch vermogen. De ontwikkeling van deze eigenschap, die ik van huis uit eerlijk gezegd niet echt heb meegekregen, is in mijn ogen essentieel voor eenieder die ooit volwassen wil worden.
Het ontbreken ervan, in combinatie met de neiging om alles wat je tegenkomt maar het voordeel van de twijfel te geven, is karakter-technisch gezien behoorlijk desastreus. De wereld is in dat geval weliswaar mooi en prachtig, maar doordat je nooit kritiek durft te leveren, verandert je zelfbeeld in dat van een bang vogeltje. En daarmee jij zelf ook. Daarnaast is het moordend voor iedere creatieve impuls.
Nou is het in mijn geval ook weer niet zo dat ik pas recentelijk kritisch om mij heen durf te kijken, maar doordat ik er nu een naam aan heb gegeven besef ik wel dat ik daar zeker vroeger moeite mee heb gehad. En zo nu en dan valt dit probleem mij heden ten dage bij een ander op.
Opmerkelijk is verder dat het mij aan zelfkritiek nooit ontbroken heeft, hetgeen het bange vogeltjes effect alleen maar versterkt.
Ter illustratie, en wellicht ter lering, volgt hier in willekeurige volgorde een aantal zaken die voor mij ooit heilig waren, maar die ik nu durf te relativeren. Het geschreven woord. Alles waar het label ‘wetenschap’ aan gehangen kan worden. Meisjes. Stripboeken van Kuifje. De muziekrecensies in de OOR. Doeken die door Pablo Picasso gesigneerd zijn. Wat de krant zegt. Wat de leraar zegt. En, natuurlijk, wat U zegt.
Als het aantal bezoekers omgekeerd evenredig is aan de kwaliteit van een website, dan mag ik trots zijn. Een vrijwel onbewoond eiland in een verder bomvolle oceaan. Niet dat ik daar heel erg mee zit, hoor. Het is vooral de gedachte dat juist U ervoor kiest om samen met mij op een dergelijk eiland te bivakkeren waar ik het warm van krijg.
Tot voor kort heb ik eigenlijk nooit echt goed begrepen wat Oscar Wilde bedoelde met de uitspraak: “Each man kills the thing he loves.” Ruim vijftien jaar geleden kreeg ik deze woorden voor het eerst te horen. Tijd genoeg dus om erover na te kunnen denken, zou je zeggen.
Even voorbijgaand aan de mogelijkheid dat mijn interpretatie niet de juiste is, duikt nu de vraag op of ik dom ben of een laatbloeier. Of de uitzondering op bovengenoemde regel, dat kan natuurlijk ook. Maar hoe zit het met U? Kunt U de woorden duiden?
Soms heb ik van die momenten dat ik denk dat ik het allemaal wel weet. Dat het eigenlijk wel best is zo. Ik doorzie het spel, laat me niet meer verrassen, en druk iedere originele gedachte bij voorbaat dood. Eindelijk voel ik me zeker.
Ze zijn kort, die momenten, maar soms heb ik ze. Meestal schijnt dan de zon. Het wachten is op de regen.
U zult wel gedacht hebben, dit log de afgelopen week in ogenschouw nemend, wat schrijft die jongen veel voor zijn doen. Allereerst mijn excuses daarvoor, waar ik vervolgens een verklaring aan wil toevoegen.
In mijn huis bevindt zich een combi-ketel. Die woont er ruim twee keer zo lang als ik, en ik woon er inmiddels een jaar of zes. Genoemde ketel gaf vorige week de geest. Zei geen boe of bah meer. Na het gevaarte eerst zelf uit elkaar te hebben gehaald, bleek het verstandig om toch maar een installateur te laten komen, en jawel hoor, na een uurtje klussen had hij ‘m aan de praat. Ik had weer warm water. Tot het moment dat hij de deur achter zich dichttrok, natuurlijk. Voor de tweede keer deed de ketel er het zwijgen toe.
Sinds een week douche ik dus koud.
Het gevolg is een strakgespannen vel over mijn toch al indrukwekkende verschijning, als ook een continu gevoel wakker te zijn. Koud water doet leven, heb ik gemerkt. En schrijven. Het is duidelijk dat dit zo niet langer door kan gaan, vandaar dat ik gisterenavond weer een poging heb gewaagd het ding nieuw leven in te blazen.
Het resultaat van mijn arbeid was geen warm water, maar een penetrante gaslucht die mijn neusgaten vulde. Snel alle leidingen dichtgedraaid dus. Stelt U zich eens voor, was vorig stukje bijna mijn laatste geweest. Het kwaad dat zichzelf straft. Daarom dus dit schrijven vandaag. Opdat U weet wat er aan de hand is mocht U niets meer van mij horen. Dan heb ik ofwel weer warm water, ofwel ben ik ontploft.
Na Uw gestuntel bij het beantwoorden van de voorgaande vraag, beste lezer, is het natuurlijk wel zo eerlijk om ook mijn licht over deze kwestie te laten schijnen.
Om te beginnen zijn mij de fysieke verschillen tussen man en vrouw bekend. Beide typen mens heb ik wel eens naakt mogen aanschouwen, en ook van de onderhuidse soortspecifieke architectuur ben ik op de hoogte. U begrijpt dat ik daar dan ook niet op doelde.
Nee, het gaat mij vanzelfsprekend om het gedrag, of karakter zo U wilt. Mijn standpunt is even simpel als schokkend, en wel als volgt. De ene sexe gedraagt zich niet anders dan de andere omdat beide smaken verschillen, maar omdat iedereen zegt dat ze verschillen. Wij worden door onszelf gehersenspoeld.
Van kinds af aan wordt een mens willens of onwillens in de rol gedrukt die door zijn of haar geslacht wordt opgelegd. Men moet dan ook wel heel sterk in de schoenen staan wil men niet zelf gaan geloven in de mythe van het man zijn, of vrouw zijn.
Komt U nu alstublieft niet aanzetten met oerinstincten, of bijvoorbeeld met het idee dat mannen jagers zijn. In de huis-, tuin- en keukenomgeving waar wij onze kunstmatige leventjes leiden is dit vergelijk domweg absurd. Niks geen instincten, het zijn allemaal geconditioneerde reflexen.
De man die voor zijn onbetamelijk of lomp gedrag zijn evolutionaire erfenis als excuus opvoert heeft geen ballen. Net zoals de vrouw die zich doelbewust als lid van het zwakke geslacht afficheert op mij niet bepaald sterk overkomt.
Een enkeling zal mij misschien voor de voeten willen werpen dat een man een vrouw nooit volledig zal kunnen begrijpen, daarmee doelend op het veronderstelde verschil. Welnu, laat mij U uit de droom helpen. Niemand zal een ander ooit volledig kunnen begrijpen, ongeacht de aanwezigheid van borsten.
De verlichte geest die mijn vorige stukje van enige statistieken voorzag staat eigenlijk nog niet zo heel ver van mij af. Niemand is gemiddeld en dus is iedereen gelijk.
De verschillen tussen man en vrouw zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de overeenkomsten, en het zou U sieren als U hetzelfde uitdroeg. Sterker nog, als iedereen dat zou doen, dan wordt het misschien ooit nog wat met deze wereld.
A: “Man en vrouw zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk.”
B: “Man en vrouw zijn gelijk. Punt.”
U zegt?
Als ik dood, dan doe ik dat snel en pijnloos. Niet dat het vaak gebeurt, maar soms is de noodzaak daar. Dit is nu zo’n moment, en het slachtoffer, dat bent U.
Enige uitleg is wellicht op z’n plaats, en die zal ik U dan ook niet onthouden. Het gaat over de manier waarop ik tegen U aankijk, of eigenlijk opkijk. Anders dan U misschien denkt, ben ik helemaal niet zo nuchter. Ik heb nogal de neiging om van alles op U te projecteren waar het mij aan concrete informatie ontbreekt. Ik dicht U eigenschappen toe die ik graag in iemand zie. Daardoor maak ik U groter dan U in werkelijkheid bent, hetgeen oneerlijk, zo niet ongezond is.
Naast mijn eigen demystificatie mag ik de Uwe natuurlijk niet vergeten. En dus ga ik er vanaf heden vanuit dat U net zo gewoon bent als ik. Mocht dat ten onrechte zijn, dan staat het U vanzelfsprekend volkomen vrij om mijn ongelijk aan te tonen. Ziet U het als een uitdaging. Ik geef U in ieder geval een kans.
Een foto van mij. Weliswaar niet zo heel recent, maar toch. Verder heb ik natuurkunde gestudeerd, maar nu doe ik iets met computers. Ik lees graag, en sport veel. Oh ja, en ik woon in Gouda.
“Focussen is wat je moet doen, jongen. Focussen en doorzetten.”
“Maar ik vind alles leuk.”
“Wie alles leuk vindt, komt nergens.”
“Hoe komt U daar nu weer bij?”
“Gefocust. Zo kom je nog eens ergens.”
“Maar hoe weet ik nou dat ik me niet op het verkeerde richt?”
“Dat weet je niet. Maar mocht dat zo zijn, dan is er altijd wel een ander die het juiste doet. Je bent nooit alleen.”
“Dat laatste betwijfel ik.”
“Ten onrechte.”
Een goeie biografie laat U kennismaken met de mens achter een naam. Gesteld dat het doel van mijn schrijven is om U te laten zien wie ik ben, wat ontbreekt er dan nog? Volgens mij ben ik inmiddels eigenlijk wel klaar.
Er bestaan meisjes van twintig die het woord ’schattig’ in de mond durven nemen wanneer ze aan mij refereren. Hoewel daarmee misschien alles meteen al is gezegd, wil ik het er toch even over hebben. Uitstraling is waar ik op doel. En de mijne in het bijzonder.
Sommige mensen zien er tien jaar ouder uit dan dat ze in werkelijkheid zijn. Hun verschijning boezemt ontzag in. Al doen ze hun mond niet open, toch luister je. Ik vrees dat ik zelf van een dergelijk geluk niet mag spreken.
U hoort mij hier verder niet over klagen, hoor. Anders dan wat ik vroeger dacht, straal ook ik blijkbaar wel iets uit. Iets herkenbaars wellicht. Iemand noemde het onlangs ‘rust’. Dat is me overigens wel eens meer gezegd. Het kan echter net zo goed dat tikje onzekerheid zijn dat U zelf ook heeft, maar misschien beter weet te verbergen. Ik doe geen moeite.
Even handig is dit natuurlijk niet altijd. In een omgeving waar je jezelf moet verkopen, neem bijvoorbeeld het bedrijfsleven, is het vanzelfsprekend een pre wanneer je autoriteit uitstraalt. Ik ben dus niet zo’n verkoper. En aan twintigjarige meisjes hoef ik in die zin niets kwijt. Gelukkig zijn er dan ook exemplaren genoeg die mij niet schattig vinden.
Joseph Roth laat Jenö Lakatos in Biecht van een moordenaar zeggen: “Weet U, beste vriend, nimmer is de natuur vriendelijker dan wanneer zij ons bedenkt met een klein gebrek. Wanneer ik gaaf ter wereld was gekomen, had ik waarschijnlijk niets geleerd.”
Even leg ik het boekje terzijde, en geef mij over aan mijn eigen gedachten. Jenö’s geluk deel ik niet, besef ik met een glimlach. De natuur is mij immers niet bepaald welgezind, zo volmaakt als ik ben. Ik zou zo snel eigenlijk niet één tekortkoming kunnen noemen.
Totdat mij plots te binnen schiet dat ik juist dit boek een eeuwigheid geleden van iemand te leen kreeg. Nadat het jaren ongelezen in mijn kast had gestaan, besloot ik er zeer onlangs in te beginnen. Met een vleug van schaamte, maar vast van plan het werkje terug te geven aan de rechtmatige eigenaar, lees ik verder. In de derde versnelling.

mikzlog