mikzlog
woensdag 20 juli 2005

Snooze

Mijn wekker gaat om zes uur in de ochtend. Elke doordeweekse dag.

Ik kocht ‘m toen ik een jaar of zestien was, niet wetende dat dat ding nooit kapot zou gaan. Sindsdien heb ik in heel wat verschillende bedden geslapen, maar de wekker die er meestal naast stond, dat is dus nog steeds dezelfde.

De laatste tijd begin ik echter toch te twijfelen aan de kwaliteit van het apparaat. Als ik terugblik op al die jaren, en dat vergelijk met mijn huidige staat van zijn, dan lijkt het er eerder op dat ik langzaam ingeslapen ben. Wakker is ver weg.

Maar waar ik een betere wekker kan vinden, dat weet ik niet.


maandag 18 juli 2005

Wij zijn verre van geremd

Wat moet ik doen om mezelf eens helemaal te laten gaan? Als er één vraag is waar je niet teveel over na moet denken, dan wel deze, zult U misschien zeggen. Het verstand is juist de rem die je in dit geval niet gebruiken wilt.

Hoe krijg ik het dan wel voor elkaar? Als ik me laat gaan, dan doe ik iets, maar al wat ik doe, wordt aangestuurd. Vanuit mijn hoofd. En iedere aansturing staat zoals gezegd haaks op de losbandigheid die ik zoek.

Het lijkt enigszins op de paradoxale imperatief: “Wees spontaan!”

Stelt U zich een fout feestje voor waar gedanst wordt. Misschien kent U de aarzeling, die ieder mens waarschijnlijk wel eens heeft, om mee te doen met de vrolijkheid. Laat je je wel of niet gaan? De drempel is soms onoverkomelijk, en in mijn geval niet zelden afhankelijk van de hoeveelheid alcohol in mijn bloed.

Hoe dan ook, de casus belli ligt meestal volkomen buiten mijzelf. Vooral door omstandigheden ga ik zogezegd uit mijn dak. Het is uiteindelijk dan ook niet de vraag wat ik moet doen, maar eerder wat U moet doen om mij eens helemaal te laten gaan.


donderdag 14 juli 2005

Mis

Even serieus. Onderschrijft U de stelling dat er met vrijwel iedereen die een weblog onderhoudt sociaal gezien iets grondig mis is?


woensdag 13 juli 2005

De taal der filosofen

Wanneer iemand min of meer onbegrijpelijk schrijft, en zich bij voorbaat verdedigt met de opmerking dat wat hij op papier zet eigenlijk voor toekomstige generaties bedoeld is, dat de lezer er in feite nog niet rijp voor is, dan is het toch niet meer dan logisch dat ik een dergelijk figuur van het doen van een zwaktebod beticht? Ook al heet deze paljas Friedrich Nietzsche?

Mijn bij vlagen fel opflakkerende belangstelling voor wijsgerige kwesties zal voor U geen verrassing zijn. Toch was er ooit een tijd dat ik de werken van de zogenaamd grote filosofen links liet liggen. Te moeilijk, dacht ik toen in al mijn onschuld. Later meed ik de gevestigde filosofie om een andere reden. Ik was bang om mijn eigen oorspronkelijkheid te verliezen.

Momenteel zal dat laatste mij eerlijk gezegd worst wezen, en zo af en toe wil ik dan ook wel eens een filosofisch werkje lezen dat mij toevalligerwijs in handen valt. Zo heeft U mij de afgelopen week op een verloren moment in het zonnetje kunnen vinden met Voorbij goed en kwaad voor ogen.

Nu zal ik U vandaag niet vermoeien met een boekbespreking. In plaats daarvan wilde ik het hebben over iets algemeners, en wel over de taal der filosofen. Allereerst trek ik daartoe een parallel met een van mijn andere interesses, de natuurkunde. Inderdaad, dezelfde natuurkunde die door Nietzsche zo onbezonnen wordt verketterd.

Menige doorbraak in de fysica wordt door de geestelijk vader ervan bescheiden afgedaan als zijnde een in beginsel eenvoudig idee, dat vervolgens wiskundig gezien rigoreus is uitgewerkt. Het bekende één procent inspiratie en negenennegentig procent transpiratie verhaal. Wiskunde is dan ook de taal die iedere natuurkundige spreken moet, en die voor vooruitgang, of in ieder geval beweging, zorgt.

Een dergelijke algemene taal ontbreekt volledig in de wijsbegeerte. Men blijft immer hangen in die ene procent. Sterker nog, sommige filosofische teksten zijn zodanig aan een eigen taal gebonden, dat ze zonder kennis daarvan niet eens goed te volgen zijn. Aan dit laatste feit werd onder andere ook elders, in een zo nu en dan vrij amusante discussie, gerefereerd.

Hoe nu, vraag ik mij af, kan er ooit sprake zijn van een universeel geldige filosofie, als de beschrijving daarvan zich niet eens kan losmaken van de beperkingen van de moedertaal van de bedenker?

Natuurlijk, er zijn filosofen die zulks geprobeerd hebben, dat wil zeggen, die op een min of meer wiskundige wijze een wijsgerig bouwwerk hebben gemaakt, zoals bijvoorbeeld de heer Spinoza, van wie ik tot mijn genoegen ook het een en ander heb mogen lezen, en die (alweer) door Nietzsche tot op de grond wordt afgebrand. Moedige pogingen zoals die van Spinoza staan echter veelal op zichzelf, er wordt door anderen niet of nauwelijks op voortgebouwd.

Nu wil ik niet zeggen dat wat de heer Nietzsche schrijft waardeloos is. Integendeel, zijn tirades zijn veelal uiterst vermakelijk, en één of twee van zijn eigen ideetjes zijn zonder meer best aardig. Wat ik me echter in het algemeen afvraag is dit: wordt het überhaupt ooit nog wat met de filosofie? Of zal het altijd blijven bij mooie verhalen, die slechts aanzetten tot denken, maar nooit werkelijk iets verklaren? Een pseudo-wetenschap als het ware, die men net zo goed op een weblog kan bedrijven?


donderdag 7 juli 2005

De hoofdprijs

Het leven van een tienkoppig monster gaat eigenlijk ook niet over rozen, bedacht ik mij onlangs. Tweehonderd en twintig eurootjes is hij kwijt bij de kapper. Dan mag ik nog van geluk spreken met mijn enkele hoofd. Anderzijds, als niemand vervolgens iets van mijn verkniptheid zegt is tweeëntwintig euro net zo goed veel te veel.


dinsdag 5 juli 2005

Ezeltje

Ooit schreef ik een duister, maar nogal veelbetekenend stukje over de heer van La Mancha. Zojuist stuitte ik bij toeval op de waarheid over Sancho Panza, zoals opgetekend door Franz Kafka in 1917:

“Sancho Pancha, die zich daar overigens nooit op heeft beroemd, slaagde er in de loop der jaren in, door in de middag- en avonduren een heleboel ridder- en roverromans ter beschikking te stellen, zijn duivel, die hij later de naam Don Quichot gaf, dusdanig van zich af te leiden dat deze ongestadig de malste capriolen uithaalde, die echter, bij gebrek aan een voorbestemd doelwit dat Sancho Panza juist had moeten zijn, niemand schade berokkenden. Sancho Panza, een vrij man, volgde, misschien uit een zeker verantwoordelijkheidsgevoel, die Don Quichot doodgemoedereerd op diens omzwervingen en beleefde er veel en nuttig vermaak aan, tot aan zijn einde.”

Wellicht gaat dit allegorisch denken U te ver, maar ik ben momenteel dus één en één aan het optellen.


zondag 3 juli 2005

De reus

Als hij geen twee meter vijfendertig was geweest, dan zou je zeggen dat hij sliep als een marmotje. De reus was moe. Na een lange dag hout hakken was hij terug naar zijn hut gegaan. Daar woonde hij, alleen, in een bos dat hij door de bomen allang niet meer zag.

Voordat hij zich ter sponde had gelegd, was hij met zijn hoofd niet zachtzinnig tegen de deurpost gelopen. Dat overkwam hem wel vaker. De zwellingen boven zijn ogen getuigden daarvan. Wie een halve meter te lang is, is gedoemd zijn hoofd te stoten.

Nog meer dan anders valt tijdens zijn slaap de onschuld van ’s mans gezicht te scheppen. De reus droomt ervan klein te zijn. Heel klein zelfs. Zonder hoofdpijn. Ook zou hij wel een eenvoudiger baantje willen, desnoods op een kantoor, zodat hij zijn bijl kon laten voor wat ie was. De reus was het verdorie goed zat om in een sprookje te moeten leven.