mikzlog
vrijdag 11 januari 2008

Loopje

“Vroeger schreef U nog weleens van die fijn puntige dialogen.”
“Vandaag nog.”
“Echt waar?”
“Echt waar.”
“Oh, dan ga ik snel kijken!”


vrijdag 8 september 2006

De vliegende kikvors

“U zaagt, Mijnheer.”
“Aan de stoelpoten van mijn wereldbeeld.”
“Hoe bedoelt U?”
“Het is alles perspectief, Mijnheer. Zo dacht ik ooit dat het idee van Goed en Kwaad ons als een etherische wolk omhult. Ongrijpbaar, maar aanwezig. En dat die wolk zelfs nódig is om ons voor moreel verval - of erger nog: nihilisme - te behoeden. Maar zo werkt het dus niet. Er is geen wolkje aan de lucht! Al het goede komt van binnen. Het laagje vernis dat beschaving heet draagt hoegenaamd niets bij tot het algeheel welzijn. Het is van groot belang om onderscheid te maken tussen hoe iets is en hoe iets zou moeten zijn. Dat laatste is feitelijk onbeantwoordbaar. Ethiek, mijn waarde, is geworteld in biologie. Meer dan ik ooit heb durven zien.”
“U zaagt, Mijnheer.”


vrijdag 3 maart 2006

Geginnegap

“Lachen is gezond, zeggen ze, maar het lukt me niet.”
“Wat is het probleem, Mijnheer?”
“Ik kom niet veel verder dan grijnzen.”
“Probeert U eens te gniffelen.”
“Hoe doe ik dat?”
“Door heel hard te gnuiven.”
“OK, en dan?”
“Giechelen! Uit alle macht.”
“Hmm, het blijft toch grinniken. Wat ik wil is gieren.”
“Ik ben bang dat ik U dát niet kan leren.”
“En daar word ik dus niet vrolijk van.”


donderdag 22 december 2005

Zeg het met bloemen

Toen de lefgozer om een bosje gele lafbekjes vroeg, was de bloemist ervan overtuigd dat hij in het ootje werd genomen.

“Mijnheer, mijn ootje is mij heilig, daar dient U verre van te blijven.”
“Alle respect voor Uw ootje. Ik zoek slechts lafbekjes. Gele.”
“Werkelijk? Daar heb ik eerlijk gezegd nog nooit van gehoord.”
“Eilaas. Doet U mij dan maar een bosje blauwe, als het U belieft.”

En zo geschiedde. De lefgozer rekende af, en liet de bloemist voor wat hij was. Veel meer dan dat maakte hij niet mee, die dag.


donderdag 25 augustus 2005

Tweestrijd

“U moet rust houden.”
“Ik pieker er niet over.”
“Ocharm, U piekert juist te veel.”
“Mijn dorst naar kennis dient gelest.”
“Een onmogelijkheid, Mijnheer.”
“Waarom zegt U dat?”
“Uw liefde voor het mysterie is net iets groter dan de wil tot weten.”
“Verdomd!”


zaterdag 11 juni 2005

Scherpstelling

“Focussen is wat je moet doen, jongen. Focussen en doorzetten.”
“Maar ik vind alles leuk.”
“Wie alles leuk vindt, komt nergens.”
“Hoe komt U daar nu weer bij?”
“Gefocust. Zo kom je nog eens ergens.”
“Maar hoe weet ik nou dat ik me niet op het verkeerde richt?”
“Dat weet je niet. Maar mocht dat zo zijn, dan is er altijd wel een ander die het juiste doet. Je bent nooit alleen.”
“Dat laatste betwijfel ik.”
“Ten onrechte.”


vrijdag 13 mei 2005

Doodsgereutel

“Het is niet wat U denkt, Mijnheer.”
“Maar ik denk helemaal niets.”
“Ook dat is het niet.”


woensdag 9 februari 2005

Vrijblijvend

“Weet U wat het is? U voelt zich vrij maar bent het niet.”
“Oh? In sommige landen mag je niet eens zeggen wat je denkt.”
“Dat is zo. Maar hoe vaak zegt U eigenlijk wat U denkt?”
“Nou, niet zo heel vaak. Maar daar gaat het ook niet om.”
“Waar dan wel om?”
“Om het feit dat ik mag zeggen wat ik denk.”
“Dat U de keuze heeft, zogezegd?”
“Precies! Ik kan zeggen, doen en laten wat ik wil.”
“U zou, als U wilt, zo Uw koffers kunnen pakken?”
“Net zo makkelijk.”
“Het leven bij de ballen kunnen grijpen?”
“Bij wijze van spreken.”
“Waarom doet U dat dan niet?”
“Nou ja, misschien doe ik dat nog wel eens. Een keer.”
“Ziet U, U zit vast.”
“Hoe bedoelt U?”
“U zit als het ware gevangen in het gevoel van vrijheid.”


vrijdag 28 januari 2005

Over een kam

“Generaliseren is de mens eigen.”
“U generaliseert, Mijnheer.”
“Ik ben ook maar een mens.”
“Een mager excuus.”
“Maar tevens een bevestiging.”
“Onzin. U denkt dat de mens zo is als U, omdat U een mens bent.”
“Sterker nog, U doet precies hetzelfde.”


vrijdag 26 november 2004

De begrijpmachine

Ooit komt er een dag dat iemand een machine maakt die kan begrijpen. Wat je ook tegen het apparaat zegt, altijd krijg je, na enig rekenwerk, een antwoord waar begrip uit spreekt. Alsof je een goede vriend tegenover je hebt.

De uitvinding wordt echter op hoon onthaald. “Een begrijpende machine, dat kan toch helemaal niet”, zegt iedereen. En dus neemt niemand de moeite om zelfs maar te kijken. Op één persoon na, die de maker vraagt wat dat nou eigenlijk is, die begrijpmachine.

“Wat is dat nou eigenlijk, die begrijpmachine?”
“Het tastbare resultaat van jarenlang onderzoek, Mijnheer. Aan de basis ervan ligt de hypothese dat iedere vraag een antwoord impliceert. Ik ben, simpel gezegd, op zoek geweest naar een algoritme dat antwoorden uit vragen destilleert. En dat algoritme heb ik gevonden.”
“Uw machine geeft antwoorden?”
“Meer dan dat. Ook op losse opmerkingen wordt gereageerd. Indien nodig met een gepaste stilte.”
“Volgens de door U opgestelde regels.”
“Precies.”
“Het is dus een truukje.”
“Een truukje?”
“Nou, de machine begrijpt niet echt wat iemand zegt, maar omdat hij gebruikt maakt van Uw algoritme lijkt het net alsof.”
“Ik zie het verschil niet.”
“Een machine kan toch nooit begrijpen zoals een mens begrijpt?”
“Oh nee? Kunt U mij dan vertellen hoe een mens begrijpt, Mijnheer? Als ik iets tegen U zeg, dan antwoordt U toch ook volgens een zeker algoritme? Uw reactie is toch helemaal afhankelijk van wat ik zeg?”
“Maar ik kan me er iets bij voorstellen. Bij wat U zegt.”
“Mijn machine zegt ook dat hij zich er iets bij kan voorstellen.”
“Maar ik heb verstand. En daarmee kan ik Uw uitspraken volgen. Begrijpen dus.”
“Waar zit Uw verstand dan, Mijnheer? Kunt U het aanwijzen? Volgens mij heeft mijn machine evenveel verstand als U.”
“..”
“..”
“Ik geloof dat ik U begrijp.”
“Meer dan dat is niet mogelijk, Mijnheer.”