Lijstjes zijn fijn. Op een enkele uitzondering na scheppen ze orde en brengen ze rust. Net zoals een goed argument dat bijvoorbeeld doet. Wanneer iemand vanuit min of meer onomstotelijke vooronderstellingen via scherp redeneren tot een juiste conclusie komt dan doet mij dat plezier. In dit licht bezien is mijn zojuist getrokken conclusie dat lijstjes fijn zijn natuurlijk niet zo’n beste, daar orde en rust voor iemand anders dan ikzelf net zo goed een gruwel kunnen zijn. En dan ga ik nog voorbij aan het uiterst subjectieve aspect van deze begrippen. Wat voor mij rust is maakt U misschien onrustig, en andersom.

Na deze merkwaardige inleiding kan ik bijna niet anders dan U een lijstje presenteren van drogredenen. Hoewel, of misschien wel doordat ik zelf nauwelijks geschoold ben in deze materie, amuseer ik mij kostelijk met een dergelijk overzicht. Het is erg verfrissend om allerhande uitspraken in het dagelijks leven te matchen met een van de items in deze niet eens volledige lijst. Je staat er versteld van hoe zelden men eigenlijk geen onzin uitkraamt.

Gewapend met deze kennis kun je de zaak natuurlijk ook omdraaien, en doelbewust gebruik maken van de valkuilen der logica. Constructies als het argumentum ad populum en vooral het argumentum ad metum mogen zich bijvoorbeeld heden ten dage in een groeiende mate van populariteit verheugen. Het is even hilarisch als leerzaam om notie te nemen van dat wat ook wel wordt aangeduid als conversational terrorism, temeer daar deze vorm van terrorisme nauwelijks bestreden wordt.

Dit alles vanzelfsprekend puur tot beter begrip van de wereld om ons heen, want U en ik maken zich aan dit soort zaken immers nooit schuldig.

15 reacties

Tot op heden ben ik dus nog steeds niet ingewijd in de geheimen van de smok. Enige voorlichting is inmiddels dan ook zeer gewenst.

10 reacties

Na alle gekunsteldheid hier is de tijd voor een pas op de plaats daar. Laat ik vandaag eens normaal doen, voorzover mogelijk. Even niets vergezochts – wie zit daar immers op te wachten? – maar gewoon een vervolg op eerder werk. Een update, zoals dat heet. Een beetje freestylen, wellicht. Aan de vraag of U daar dan wél op zit te wachten ga ik even voorbij. Vroeger kon ik mij nog wel eens zorgen maken, om Uw loerende ogen, maar die tijd is inmiddels geweest. Als ik op deze plek al niet eens meer een beetje voor de vuist weg kan praten, dan is het eind natuurlijk zoek.

Een tijdje terug liet ik U weten dat mijn kloksnelheid te wensen over laat. Ik lees niet zo snel, heb ik U bekend. Welnu, er is nieuws. Wat eerst een trechter was begint inmiddels op een rioolbuis te lijken. Het blijft weliswaar dikke stront wat er doorheen gaat, maar het glijdt allemaal ietwat soepeler. Nog lang niet soepel genoeg naar mijn zin, maar de hoop ook de laatste obstipaties weg te kunnen werken is in ieder geval aanwezig.

De eerste stap in mijn poging het tempo op te voeren bestond uit het uitschakelen van het stemmetje in mijn hoofd. Ik subvocaliseer niet meer, Mijnheer! En dat scheelt. Het ‘binnenshoofds hardop lezen’ is een bekend fenomeen, maar bepaald niet bevorderlijk voor de snelheid. Het is een merkwaardige ervaring om de woorden vanaf het papier voor het eerst bewust direct in beelden om te zetten, ofschoon het proces vermoedelijk niet eens echt onnatuurlijk is. De vraag of we überhaupt in woorden denken is er een die mij al langer boeit, en ik ben eerlijk gezegd veel meer overtuigd van het bestaan van woordeloze gedachten, noem het mentalese, die het hoofd bevolken.

Echt bewijzen kan ik dit alles natuurlijk niet, en zoiets doet mij mezelf dan meteen angstig afvragen in hoeverre ik mij op het pad der zweverigheid begeef. Een zwakte mijnerzijds, die angst, maar dat terzijde. De vraag is of mijn toegenomen leessnelheid eigenlijk wel te verklaren is met een min of meer vaag concept als het onderdrukken van subvocalisatie. Ligt de oorzaak niet domweg in het feit dat ik graag sneller zou willen lezen? In het laatste geval hou ik mezelf met m’n oefeningen vreselijk voor de gek, terwijl ik anderzijds met het resultaat wel tevreden ben. Post hoc ergo propter hoc, noemt men zoiets, als ik het wel heb.

Maar goed, er is meer. Naast het onderdrukken van de geluidloze stem dwing ik mijzelf zo af en toe om in opgevoerd tempo te lezen. De gedachte daarbij is dat mijn ‘normale’ tempo dan automatisch ook omhoog gaat, doordat ik wen aan het snelle lezen. Meten is weten, natuurlijk, en dat is precies wat ik deed. Ik plukte een lichtverteerbaar boekje uit de kast, Antonio Skármeta’s De postbode, en mat mijn woordsnelheid. Met pieken van ongeveer 600 woorden per minuut las ik dit verhaaltje in één avond uit. Niet echt opzienbarend voor de getrainde snellezer, maar voor mij met m’n normale slakkengang van 200 woorden per minuut, en een relatief beperkte concentratiespanne, voorwaar een prestatie.

Opgemerkt dient wel dat ik dit boekje ooit al eens eerder geconsumeerd had. Daarnaast was daar het merkwaardige feit dat mijn tempo volledig instortte bij de beschrijving van de mooie Beatriz González. Mijn eigen fantasie won het van het geschrevene, en mijn gedachten dwaalden af. Of eigenlijk bleven mijn ogen hangen op de woorden, als had ik haar die ze beschreven zelf in mijn blikveld. Nu ja, sommige passages kunnen wellicht niet snel gelezen worden.

Dat ik er nog lang niet ben moge duidelijk zijn. Zo dient er bijvoorbeeld nog geschaafd aan mijn ooghoeken, ofwel mijn perifere gezichtsveld. Ook het visualiseren kan wellicht verbeterd. Maar al met al lijkt het zo te zijn dat ik de vaardigheid, het snel lezen, al lang onder de knie had, maar nooit eerder gebruikte.

Toen ik iemand enkele dagen terug enthousiast verslag deed van mijn bevindingen, vroeg hij mij om het waarom. Wat schiet je er eigenlijk mee op om snel te lezen? Waarom niet genieten van het woord, als van een wijn met goede afdronk? Wat is dat toch met jou, dat je veranderen wilt? Vanwaar de eeuwige onrust?

Hoewel het mij nogal zorgen baarde dat ik hem geen antwoord geven kon, nam mijn enthousiasme niet af.

4 reacties

“Het is niet wat U denkt, Mijnheer.”
“Maar ik denk helemaal niets.”
“Ook dat is het niet.”

11 reacties

Een aantal dagen gelezen las ik in het werkje The Prophet (1923) van Khalil Gibran het hoofdstuk over vrijheid: “Ay, in the grove of the temple and in the shadow of the citadel I have seen the freest among you wear their freedom as a yoke and a handcuff. And my heart bled within me; for you can only be free when even the desire of seeking freedom becomes a harness to you, and when you cease to speak of freedom as a goal and a fulfillment.”

Ongeveer op hetzelfde moment sprak de heer Bush in Margraten de volgende woorden: “As the 21st century unfolds before us, Americans and Europeans are continuing to work together and are bringing freedom and hope to places where it has long been denied: in Afghanistan, in Iraq, in Lebanon, and across the broader Middle East. Freedom is a permanent hope of mankind; and when that hope is made real for all people, it will be because of the sacrifices of a new generation of men and women as selfless and dedicated to liberty as those we honor today.”

De Libanees Gibran vervolgde: “You shall be free indeed when your days are not without a care nor your nights without a want and a grief, but rather when these things girdle your life and yet you rise above them naked and unbound. And how shall you rise beyond your days and nights unless you break the chains which you at the dawn of your understanding have fastened around your noon hour? In truth that which you call freedom is the strongest of these chains, though its links glitter in the sun and dazzle the eyes.”

En ik dacht: “Die Bush, dat is geen dichter.”

2 reacties

Ze maakten hem bang, de anderen. Want zij waren niet als hij, en door hen was hij zichzelf niet. Ontvluchten leek onmogelijk. Ze waren immers overal. En dus was alles wat hij deed slechts gevolg. Zij bepaalden hem, direct of indirect.

Nooit werd hij beoordeeld op wie hij was, maar alleen op wat hij deed.

Omdat hij verder toch niets beters te doen had, kwelde hij zichzelf met onnozele vragen, zoals de volgende. Woon ik in een huis omdat ik in een huis wil wonen, of omdat iedereen in een huis woont? Zeg ik goedemorgen tegen de buurman omdat ik hem een goede morgen wens, of omdat het vreemd is om dat niet te doen? Ga ik dag in dag uit naar m’n werk omdat ik niets liever doe dan dat? Leef ik zoals ik wil, of zoals het hoort?

Als hij sprak was dat in de hoop begrepen te worden. De beperking die dat oplegde maakte van hem een zwijgzaam man. Het kwam zijn reputatie niet ten goede.

Eigenlijk heb ik hem al een tijd niet meer gezien, deze armzalige. En als ik niet beter wist zou ik zeggen dat hij eindelijk zichzelf heeft gevonden.

5 reacties

Het is algemeen bekend dat de uitzonderlijk begaafde mens niet zelden geplaagd wordt door buien van melancholie. Gelukkig ben ik geen genie, hoe melancholisch deze laatste constatering mij ook stemt.

7 reacties