28 april 2006

Vandaag ben ik zo vrolijk dat ik nauwelijks in staat ben iets zinnigs te schrijven. Maak van dat nauwelijks trouwens maar niet. Diepzinnig en vrolijk, dat bijt elkaar natuurlijk. De avond van gisteren is daarop een memorabele uitzondering, en tevens de oorzaak van de gebakken peren die ik U nu offreer.

Desalniettemin voorvoel ik een eruptie van hersensplijtend proza, misschien juist wel aangewakkerd door die glimlach, hetgeen het vermoeden doet rijzen dat denken uiteindelijk toch niet zonder vrolijkheid kan.

13 reacties

24 april 2006

In een heel klein kamertje van een heel groot museum staat een heel klein mannetje voor een heel groot schilderij. Uit zijn bescheiden mond komt een joekel van een vraag: “Kies ik er nu voor om dit doek mooi te vinden, of vind ik het mooi?” Hij weet het echt niet.

Het schilderij, getiteld Ware Liefde, toont de boekdeelsprekende blik van een jongen op een meisje. Het mannetje peinst: “Kiest dat joch ervoor om in dat meisje de Ware Liefde te zien, of is zij voor hem de Ware?” Zeker weten doet hij het niet.

’s Avonds thuis parafraseert hij opnieuw: “Ben ik een mens die zich doelbewust met illusies vermaakt, of ben ik een willoos apparaat, gestuurd door krachten groter dan mijzelf?” Heel even denkt hij het te weten. Dan weer niet.

7 reacties

20 april 2006

“Ik proef de weemoed”, sprak ik tot de dichter, die met een biertje in de hand tegen het aanrechtblad geleund stond. Blij verrast keek hij op, bijna dankbaar zelfs, omdat er iemand leek te zijn die hem in zijn verlorenheid erkende. “Ja, ik heb het zwaar”, zei hij. Er ontspon zich een kort gesprek over afscheid en verlies, waarna het onderwerp op zijn gedichten kwam.

Ik had een bundeltje in de kamer zien liggen, met zijn hoofd erop, en vroeg hem of dat inderdaad van hem was. Niet zonder trots vertelde hij dat hij een tijdje terug wat van zijn schrijven naar een uitgever had gestuurd, en zichzelf prompt in druk zag. “Ik schrijf inmiddels al wel drieëneenhalf jaar”, zei hij. Ik zei maar niets.

Een meisje, nee, een duivels meisje, kwam erbij staan, hoorde aan wat de dichter te vertellen had, en schudde meewarig het hoofd. “Wat vind jij er dan van?” Met deze vraag richtte de dichter zich tot haar, juist nadat hij in melodramatische termen had gepoogd nogmaals de ellende van het afscheid nemen te benadrukken.

“Aanstelleritis”, zei zij.

Volkomen uit het lood geslagen hapte de arme dichter naar adem. Hij kon er niet om lachen. Het meisje verduidelijkte zich: “Let op, geen aanstellerij, maar aanstelleritis.” Grinnikend mompelde ik: “Da’s nóg erger.” Omdat afstand er in de wereld van vandaag nauwelijks meer toe doet is ook afscheid nemen van weinig betekenis, vond ze. Niet geheel ten onrechte.

De dichter, aangetast in zijn eer, zijn gevoel en mogelijk zijn mannelijkheid, ging over tot de orde van de dag, of eigenlijk avond. Speciaal voor dit feest had hij een gedicht geschreven, dat hij voordroeg ten overstaan van alle aanwezigen, geletterd of niet. Een tranentrekker, zo bleek, want de dichter zelf hield het niet droog.

Toen het meisje later die avond aanstalten maakte om te vertrekken liep de dichter op haar af, en zei: “Voor je staat een geknakt man.” Hij gaf haar drie zoenen op de wang, en vertrouwde haar nog iets toe: “Als ik morgenochtend wakker word dan ben jij de eerste aan wie ik denk.” Niks gewend, die dichters, dacht ik nog. Het meisje ging weg. Ik ging met haar mee.

2 reacties

19 april 2006

Het leek een doodnormale dag toen de man van glas, kwetsbaar als hij was, per ongeluk het pad van de man met de hamer kruiste. “Gaat U maar voor”, glibberde de glazen man kruiperig, hoewel hij toch echt van rechts kwam. Een botsing wilde hij in geen geval riskeren. Zijn glazen oog weerspiegelde de hamer. Angst droop eruit.

De timmerman keek dwars door hem heen. “Voor mij hoef je echt niet bang te zijn, gij sukkelaar”, sprak hij gedecideerd, terwijl hij zijn slaginstrument in zijn riem stak. “Jij persifleert de onschuld, aan jou valt geen enkele eer te behalen.” De zucht van verlichting bleek te vroeg geslaakt. De man met de hamer draaide zich om, en liet het grote kind barsten.

11 reacties

12 april 2006

U vroeg zich natuurlijk af wat ik daar nou mee ging doen, met dat handige lijstje van ondenkbare dingen dat U mij vorige week zo welwillend oplepelde (waarvoor mijn hart overigens nog steeds in dank verkeert). Welnu, helemaal niets!

Mijn oorspronkelijk plan was om met de door U aangeleverde gegevens, papier en kleurpotlood de grenzen van het denken te schetsen. Een eenvoudig venndiagram dat ons allen op het rechte pad houdt. Het heeft immers geen zin om je bezig te houden met iets wat zich niet laat grijpen. Al zeer snel kwam ik echter op de volgende vraag, die mij het lijstje van ondenkbare dingen deed vergeten.

Is de verzameling van denkbare dingen eindig?

In tegenstelling tot Uw lijstje, dat duidelijk begrensd is (ik ga er natuurlijk van uit dat U volledig bent geweest), is een opsomming van al wat denkbaar is mogelijk niet te overzien. Tja, daar sta je dan met je kleurpotloden. Momenteel buig ik me dus over het bewijs van het antwoord op bovenstaande vraag.

U mag meedenken, als U durft. En kan.

10 reacties

11 april 2006

Spreek, alsof je leven ervan afhangt. Met duizend tongen, zodat al wie luisteren wil oren tekort komt. Stort je hart uit. Wees eerlijk. Vergeet alle fatsoen, en zeg het onzegbare. Prik de dam door, en leeg het meer vol verlangen. Keer jezelf binnenstebuiten. Spaar niemand, en vrees niets.

Dat soort dingen zeg ik dus weleens tegen mezelf. En óf het kolkt. Moe van de eeuwige slag om de arm, het nietszeggende, het triviale wil ik alle grenzen voorbij. Niet meer ha-ha-grappig, maar páts, raak. Of mis, maar dan toch páts. Wie mij slechts aanraakt wil ik al omhelzen.

Iets weerhoudt mij, en dat kan weinig anders zijn dan angst. Ik ben bang. Maar voor wat? Voor het moment dat de bron is opgedroogd? Dat ik niet meer kan? Of om niet begrepen te worden? Aangegaapt, als een vrouw met een baard en drie armen in een freakshow.

Schrijf ik beter zonder publiek? Schrijf ik te weinig? Mischien moet ik weer dagboeken gaan vullen, of toch brieven. Maak ik mezelf wijs dat ik voel wat ik denk te voelen? Ben ik talentloos? Ziet dan niemand, waar dan ook, de alles overstemmende saaiheid? Bent U het niet zat?

15 reacties

10 april 2006

De kogel is door de kerk, mijn ouderlijk huis is verkocht. De navelstreng was weliswaar al lang geleden doorgeknipt – sinds mijn negentiende ben ik uithuizig – maar nu is dus ook de moederkoek op. Vergeeft U mij deze flauwe beeldspraak, we hebben het hier echter wel over de woning waar ik geboren ben. En misschien zelfs verwekt, maar daar was ik zo U begrijpt niet bij.

Wanneer ik er op onregelmatige tijden op bezoek kwam, werd ik steevast op een duizendtal herinneringen getrakteerd. Mijn kamertje dat mijn kamertje niet meer was bracht probleemloos alle hunkering van mijn tienertijd naar boven. Tussen de vele verhalen zag ik de omgeving niet meer. Een bitterzoet gevoel.

Een beroemd kwatrijn van E. du Perron is veelzeggend.

   Wij leven ’t heerlijkst in ons verst verleden:
   de rand van het domein van ons geheugen,
   de leugen van de kindertijd, de leugen
   van wat wij zouden doen en nimmer deden.

En toch, hoewel er iets afgesloten wordt, niet dit. Het kinderlijke noch de hunkering is ooit verdwenen. De leugen zit in mij, niet in het verleden. Maar even slikken moet ik wel, nu het huis vol herinnering binnenkort ook zelf tot herinnering verworden zal.

4 reacties

6 april 2006

Zeg het dan. Zeg dan wat je niet denken kan.

18 reacties

4 april 2006

Toen teksten nog in steen gebeiteld werden polijstte men de zinnen lang niet zo glad als nu. Mooischrijverij is van alle tijden, maar lijkt toch te cumuleren. Wij geven de techniek de schuld, die immers de mogelijkheid schept. Maar dat is te gemakkelijk. Aan teksten schaaf je niet omdat het kán.

8 reacties

3 april 2006

De man die niet wist dat hij was wie hij was kwam op de proppen met een experiment. Hij wilde toch weten hoe het nou zat met die mogelijke discrepantie tussen virtualiteit en werkelijkheid, tussen woord en beeld. Twee dingen had hij daarvoor nodig. Allereerst een tastbaar beeld van zichzelf, en daarnaast een willig proefpersoon.

Mijn paspoort, zo bedacht hij zich, bevat een foto. De mens die daar wordt weergegeven moet ik dus wel zijn. Ziedaar het beeld. Wanneer ik nu nog iemand vind die mij slechts woordelijk kent staat niets het experiment meer in de weg.

Het toeval speelde hem een neutrale observator in handen.

Het idee was als volgt. Op het moment dat de proefpersoon de foto zou zien zou er sprake zijn van een onomkeerbare faseovergang. Zij, want het was een zij, zou van toestand A in toestand B geraken: van de al dan niet gelukkige gesteldheid waarin iemand zich bevindt die hem nog nooit heeft gezien naar die van iemand die dat verdeelde genoegen – hem zien – wél heeft mogen smaken.

Hij was erg benieuwd of deze faseovergang van invloed zou zijn op haar ervaring van zijn virtuele identiteit, die haar overigens welbekend was. Als zijn werkelijke ik helemaal niets van doen heeft met de imaginaire variant, dan zou dat natuurlijk niet het geval mogen zijn. Toch kon hij zich dat nauwelijks voorstellen, juist omdat hij zichzelf zo gemakkelijk kon identificeren met zijn virtuele voorkomen.

Was hij, echt of niet, voor haar in toestand B hetzelfde als in A?

En passant schoot hij nog wat losse flodders. Eigenlijk is ‘iemand leren kennen’ een opeenvolging van dit soort faseovergangen, dacht hij. Zo zijn er ook andere gebeurtenissen te bedenken die iemand in weer een volgende toestand brengen. De hand schudden, om maar wat te noemen. Voor alles is er een eerste keer.

Na een aantal van die faseovergangen, voor de een wat meer dan de ander, wordt er gezegd dat je iemand ‘kent’. In werkelijkheid is dat natuurlijk helemaal niet waar. Er komt namelijk geen einde aan eerste keren. Er is immers ook een toestand C, en een toestand D. En het houdt niet op bij Z. Daarnaast staat de volgorde niet vast: iedereen die je kent ken je anders.

Maar goed, nu had hij dus een heel concreet voorbeeld van zo’n moment. Al zijn hoop was gevestigd op de proefpersoon, de neutrale partij, want alleen zij was in staat om hem een beschrijving te geven van toestand A en toestand B.

Na enig aarzelen drukte hij op de send-knop. Een mailtje met een bijlage van 29 kilobyte vocht zich een weg door het internet, om vervolgens in een verre mailbox te belanden. Het gevolg van het zien van de foto was voor de proefpersoon even verrassend als haar reactie voor hem.

3 reacties