30 september 2002

Er staat U nog heel wat te wachten. Mij trouwens ook. U, als lezer van het eerste uur, mag nu reeds weten dat ik Nutteloze Kennis om zeep ga helpen. Het zal nog heel even gaan duren, maar er is eigenlijk al geen houden meer aan.

“Geen seconde te vroeg, Mijnheer. Uw quasi-relativerend maar uiteindelijk stuitend pretentieus geneuzel begon mij onderhand behoorlijk de keel uit te hangen”, hoor ik iemand al mompelen. En ik beaam.

De tijd die Nutteloze Kennis nog rest zal ik gebruiken om een aantal losse eindjes aan elkaar te knopen. En daarna is het afgelopen. De stekker eruit, zoals men zegt.

En dan?

Nu ja, dan kom ik natuurlijk gewoon weer terug, of U dat nu leuk vindt of niet. Alleen op een andere plek. Misschien zelfs in verbeterde vorm. En dan hoop ik stiekem dat U gewoon meeverhuist, en af en toe blijft langskomen. Maar dat zeg ik natuurlijk niet hardop.

12 reacties

29 september 2002

De oude man keek mij peinzend aan. “Besef je wel wat je vraagt, m’n jongen? De gevolgen zijn niet te overzien als dit algemeen bekend wordt.”
Mijn vraag hoe deze man zo’n respectabele leeftijd had bereikt was onschuldig genoeg, en ik begreep eigenlijk niet waarom hij daarop geen antwoord zou durven geven. “Ik zal het aan niemand vertellen”, verzekerde ik hem, “ik zet het hooguit op internet.”
“Dat klinkt redelijk”, sprak de grijsaard. Hij nam nog een slok en toen vertelde hij het.

“Het is de macht der gewoonte, m’n jongen”, sprak hij.
“Aha”, zei ik, niet-begrijpend, “wat is de macht der gewoonte?”
“Het is de macht der gewoonte die het tot nu toe altijd wint van de mens. Door de macht der gewoonte wordt de mens niet oud. Het is dus zaak deze macht te breken, wil men echt oud worden.”

Nog altijd begreep ik de man niet. “Nog altijd begrijp ik U niet”, sprak ik dus.
“Het is eigenlijk heel eenvoudig. De mens is geboren om te denken. Sterker nog, de mens zou niet eens bestaan als hij niet kon denken. Wanneer men jong is, denkt men relatief veel, alles is nieuw. Echter, naarmate men ouder wordt, slaat de gewoonte toe: het meeste wat men doet komt voort uit routine. Men denkt niet meer. Slechts wanneer de gewoonte doorbroken wordt is men gedwongen na te denken. En als je op een gegeven moment gemiddeld te weinig denkt, dan sterf je.”

Ik probeerde te vatten wat de oude man vertelde. “Dus U zegt dat iemand sterft omdat hij te weinig denkt, omdat hij slechts uit gewoonte leeft?”
“Natuurlijk gaat dit niet op voor zieken en ongeluksvogels, maar wanneer iemand de term ‘gestorven door ouderdom’ in de mond neemt, wil dat zeggen dat de macht der gewoonte in dat geval gewonnen heeft”, sprak hij.

Ik vond het een merkwaardige gedachte. De man voelde dit, en vervolgde zijn betoog. “Ik kan het je nog sterker vertellen, m’n jongen. De macht der gewoonte is de sturende kracht in het universum. Althans, de aarde bestaat nog steeds omdat het de macht der gewoonte weet te breken. De mensheid wordt periodiek ververst. Generaties komen en gaan. Het is nooit hetzelfde. En daarom bestaat de aarde nu al enige miljarden jaren.”

“En dus”, sprak ik, terwijl ik het licht zag, “is het maar goed dat wij mensen de macht der gewoonte niet breken, en gewoon netjes sterven, omdat het anders op kosmologisch niveau een stuk lastiger wordt om vernieuwend bezig te blijven.”

“Precies”, zei de man glimlachend, “begrijp je nu waarom je dit maar beter niet verder kunt vertellen?”
Ik lachte, en vroeg hem zonder antwoord te geven: “Hoe oud bent U nu eigenlijk precies?” De man zei niets, maar nam nog een slok. En proeste het uit.

5 reacties

25 september 2002

Misschien is het U al eens eerder opgevallen, maar U wordt op deze pagina vrijwel voortdurend gevousvoyeerd. Wat verklaart het gebruik van deze stijlfiguur door ondergetekende? “Ach”, zult U zeggen, “U is slechts beleefd”. Of misschien zegt U: “U zoekt naar een eigen geluid, en het vousvoyeren is daar een onderdeel van”. Beiden waar, maar niet volledig.

Als praktiserend vousvoyeur zal ik een klein boekje opendoen over de beweegredenen achter deze op het eerste gezicht merkwaardige gewoonte.

Ten eerste, in deze periode van onrust en geweld lijkt het vousvoyeren een overblijfsel uit beter tijden. Laten we zeggen, toen de zon nog scheen. Met ieder gebruik van dit persoonlijk voornaamwoord schijnt zodoende een bescheiden zonnestraaltje uit Uw beeldscherm.

Ten tweede, en hier wilde ik eigenlijk heen, vousvoyeren schept afstand. “Waar nu is dit goed voor?”, hoor ik U zeggen. En U redeneert zelfs nog verder: “Afstand schept men slechts indien men niet dichterbij wenst te komen. En dus? Is mijn adem misschien onwelriekend?”

Maar neen, niets van dit alles. Ofschoon ik verscheidene malen getracht heb notoire bekstinkers te bestrijden met vousvoyeurisme is dit nimmer gelukt. De geur bleef hangen.

De afstand tussen U en mij is in eerste instantie nodig om uiteindelijk dubbel en dwars geslecht te worden. Ik heb die afstand nodig. De afstand is veilig, en staat mij toe alles schaamteloos op te schrijven. Alles? Schaamteloos? Ja, hoor. Een deel staat er al, en de rest moet nog komen. In principe kan ik U zaken vertellen die ik aan een jij-persoon maar moeilijk kwijt kan, een enkeling daargelaten. Waarmee wij tot de verrassende conclusie komen dat vousvoyeren indirect juist leidt tot naderbijkomen in plaats van vervreemden. Hoe grappig.

Daarnaast bent U, als lezer, op moment van schrijven voor mij een abstractie. Hoeveel groter kan de afstand zijn dan die tussen mens en abstractie? Dat de abstractie bij tijd en wijle transformeert tot snedig commentaar doet mij overigens bijzonder veel deugd, maar dit alles terzijde.

En U? Waarom vousvoyeert U eigenlijk?

4 reacties

23 september 2002

Bij twijfel of U zich nog wel op het juiste pad beweegt, stel U zelf de volgende vier vragen.

Waarom doe ik dit?
Waarom doe ik dit?
Waarom doe ik dit?
Waarom doe ik dit?

Mocht U op niet meer dan twee van deze vragen een bevredigend antwoord kunnen geven, houdt U er dan alstublieft mee op. Het is voor Uw eigen bestwil.

8 reacties

22 september 2002

De reden van mijn afwezigheid was niet dramatisch. Het was geen vlucht, en ook geen zoeken naar beters. Ik was in München om daar het een en ander te leren over een software-pakket waar ik mee werk, of liever mee werken ga. Dat München, of all places, de enige plek ter wereld is waar dit mogelijk is, geeft te denken. Een aantal cursisten was notabene uit Detroit ingevlogen, en stak hun verbazing over de Duitse Gründlichkeit, de meertalige medecursisten en überhaupt een wereld buiten de Verenigde Staten niet onder stoelen of banken.

Dat deze week mij meer bracht dan slechts wat extra technische (al dan niet nutteloze) kennis, had ik niet durven hopen. De week was echter zeer plezierig, inspirerend en uiteraard te kort.

München is een fijne stad. Nu ja, München is rijk, het centrum van conservatief Duitsland en woonplaats van literpul-bier-drinkende en weisswurst-etende mensen, maar ondanks dit alles is het een fijne stad.

Het was de combinatie van een vreemde omgeving, intelligente, aangename mensen, even op mezelf teruggeworpen zijn en het genieten van het detail wat deze week de moeite waard maakte.

Iedere ochtend wandelend door de ontwakende stad van hotel naar cursusgebouw, langs Neuhauser Strasse en over de Marienplatz met het prachtige barokke stadhuis. ’s Avonds de stad verkennend met plattegrond in de hand, naar Hofgarten, over Odeonsplatz, en langs de Residenz, waar de leeuwtjes bij de ingang door iedereen even worden betast als zijnde geluksbrengers, waardoor het onderste deel van deze koperen beeldjes glimt als ware ze nieuw. Eten bij de Viktualienmarkt. Aansluiten in de rij als een van de honderduizend mensen die de eerste drie dagen na opening de Pinakothek der Moderne bezoekt.

Alleen de Oktoberfeste blijk ik juist te zijn misgelopen, maar laat ik dat nou net helemáál niet erg vinden.

1 reactie

15 september 2002

U mag weten dat ik de komende vijf dagen wegens omstandigheden in München verblijf, en U daarom (afhankelijk van internetcafé en mijn eigen gemoed) mogelijk niet van nieuws voorzie. Maakt U zich verder geen zorgen, ik las vanochtend in de krant dat München de veiligste miljoenenstad in Europa is. Ik zal aan U denken.

5 reacties

12 september 2002

Het is allemaal wel leuk en aardig, hoor, zo’n weblog vullen. Ongeregeld een stukje plaatsen waarin karakters karikaturen zijn, en karikaturen karakter hebben. Een enkele keer onzin uitkramen onder het mom van wijsheid, en af en toe parels werpen zonder dat iemand dat merkt, behalve dan die ene oplettende lezer.

Maar soms denk ik: “Jongen, waar ben je toch bang voor? Je draait om de hete brei heen, zegt niet waar het op staat, spreekt met gespleten tong”. Dat wat ik over mijzelf vertel is verhuld. Op zijn minst. Het is wellicht zodanig verhuld dat het nauwelijks raakvlakken heeft met die andere werkelijkheid. Daarbuiten, zeg maar.

Een ander prikt er niet doorheen, of zal dat misschien niet eens willen. De enige die dat zal kunnen doen ben ik zelf. Ik zal zelf de stemmen van de Mijnheertjes af en toe tot rust moeten manen, om vervolgens voorzichtig met eigen stem te spreken. Ik zal zelf de moed moeten vatten om datgene van mij te laten zien wat een ander niet kent. Ik zal zelf de maniertjes moeten overstijgen.

Met weinig moeite creëer ik een wereld waar het anders is. Waar Mijnheren Mijnheer tegen elkaar zeggen, waar verwondering over het kleine het leven bepaalt, waar gezien wordt, en gehoord.

Alleen niet gesproken.

Maar wie zit daar nou op te wachten?

7 reacties

9 september 2002

Misschien is het niet goed, maar ongemerkt plaats ik mensen weleens in hokjes. Het geeft een zekere rust om te weten waar men aan toe is. En als de ander niet wil zeggen waar hij/zij voor staat, wil het nogal eens handig zijn om de betreffende persoon dan maar zelf in een hokje te plaatsen. Netjes opgeborgen.

Zo onderkende ik ooit twee hoofdtypen mensen (nu weet ik beter, er zijn er meer).

Enerzijds zijn er, zo dacht ik, de lamellen-mensen, anderzijds de gordijnen-mensen. U hoort de woorden, en U begrijpt. Althans, zo hoop ik. U ziet de twee types direkt voor U zonder dat dit eigenlijk nog uitgelegd hoeft te worden.

Zonder U, die zich wellicht met mij identificeert, voor de schenen te willen schoppen: ik ben geen lamellen-mens. Daarmee niets te na gesproken over lamellen-mensen, hoor. Het zijn keurige mensen. Misschien nog wel keuriger dan de gordijn-types.

Ik dacht dat ik hiermee het grote onderscheid wel had, tot ik op een gegeven moment een heerschap in de trein zag zitten dat ik niet kon plaatsen.

Na een groeiende onrust die mij ongemakkelijk deed zitten vroeg ik plompverloren: “Mijnheer, wat heeft U thuis voor het raam hangen?”
De man keek mij verontwaardigd, bijna agressief, aan, en zei: “Wat gaat U dat aan?”
“Ik zou het zo graag willen weten. Ik wil U graag plaatsen. In een hokje.” Laat ik maar eerlijk zijn, dacht ik nog.
“Ga toch weg, man. Dwaas”, sprak de man, waarop hij zelf opstond en wegging.

Nog altijd vraag ik mij af wat voor type mens mij hier zo onredelijk bejegende. Was het een luxaflex-man? Of misschien wel het open-raam-type?

U moet het zelf eens proberen. Categoriseren. En vervolgens toetsen. Het schenkt voldoening en rust. En mocht U gedurende dit traject de luxaflex-mensen zonder problemen kunnen plaatsen, laat het mij dan even weten. Ik heb er nog altijd wat moeite mee.

7 reacties

5 september 2002

“Weet U misschien hoe laat het is?”
“Nee, sorry, ik heb geen horloge om.”
“Weet U dan misschien hoeveel tijd ik nog heb?”
“Ik zou denken niet zo heel erg lang.”
“Mag ik toch nog één keer … ?”
“Nou vooruit, maar dan moet U wel snel wezen.”

En U schetst zelf de omstandigheden maar.

27 reacties

3 september 2002

“Ach, neem het leven toch niet zo serieus. En zeker mij niet. Wat verwacht U nou helemaal? Dat ik de antwoorden heb? U zou toch beter moeten weten.”

Ik chargeer, vanzelfsprekend. Natuurlijk weet ik het wel, maar daar gaat het nu even niet om.

Waar ik heen wil is het volgende. Ik wilde U een moment aandacht vragen voor de kracht van het omhoogvliegen en even naar beneden kijken. U kunt zich niet voorstellen hoe nuttig dit kan zijn. In alle eerlijkheid, ik onderschatte deze exercitie.

Het overkomt mij niet zelden dat ik opgeslokt wordt door ‘problemen’ (ik moet hier aanhalingstekens gebruiken omdat ik besef dat mijn problemen de Uwe niet zijn, en ik ten opzichte van U zeer wel mogelijk slechts over luxeproblemen beschik of andersom), om vervolgens de oorzaak en het (doel van het) oplossingsproces volkomen uit het oog te verliezen.

Ik los potdorie geregeld problemen op die helemaal niet opgelost hadden hoeven worden!

Dat bedoel ik dus met het nut van omhoogvliegen.

Zo kunt U hetgeen ik schrijf relativeren, ik doe het zelf geregeld. Is het allemaal nou wel de moeite waard? Dit stukje tekst als zodanig stelt zichzelf hierbij de vraag of het wel nodig is om dergelijke stukjes te schrijven, en wordt daarmee een meta-stukje. Een stukje dat omhoogvliegt en even naar beneden kijkt.

Afgelopen zondag zag ik heel toevallig in het programma Zomergasten een fragment van een interview met Ischa Meijer. Althans, Ischa Meijer werd geinterviewd. Na een relatief lange tijd waarbinnen koetjes en kalfjes geduldig loeiden, vroeg heer Meijer op een gegeven moment wat de interviewer eigenlijk van hem wilde weten. Wat bezielde de interviewer om een dergelijk non-gesprek te voeren dat nergens over ging? Heer Meijer tilde het interview zelf op een hoger plan en keek naar beneden. De spanning was om te snijden. Het was een prachtig fragment.

Een aantal weken terug paste ik een dergelijke techniek toe op mijn ‘meerdere’ (ik moet hier aanhalingstekens gebruiken omdat het woord alleen al ronduit belachelijk is). De gevolgen waren vernietigend, en ik besefte plotsklaps dat even omhoogvliegen een machtig wapen kan zijn. U bent heel gemakkelijk Uw meerdere de baas, of de meerdere van Uw baas, zo U wilt.

Kunt U zich voorstellen dat ik jaren geleefd heb zonder mij hiervan bewust te zijn? Nee? En toch is het waar.

Het maakt een mens enerzijds sympathiek om hier niet vanaf te weten, maar ik denk anderzijds dat het nodig is dat alle sympathieke mensen beschikken over hetzelfde wapenarsenaal als de niet-sympathieken onder ons. Vandaar dit meta-stukje.

1 reactie